Op verkiezingsdag zat ik in een zaaltje in Utrecht met driehonderd scholieren. Allemaal net niet 18, net wel 18 en één jongen werd precies die dag 18 jaar.
Hij mocht voor het eerst stemmen. Hij verheugde zich daarop, hij zou het na schooltijd direct gaan doen. In de zon, met zijn moeder, op de fiets onder de lentebloesems, samen erheen. „En weet je al waarop je gaat stemmen?”, vroeg ik hem. Hij haalde zijn puberschouders op en glimlachte een beetje, eerder meewarig dan beschaamd. „Nee”, zei hij, „nog geen idee.”
Als ik een zure columnist was zou ik daar boos om kunnen worden. Of bezorgd, of doemdenkerig vanwege dit gebrek aan interesse onder de jeugd. Maar eerlijk gezegd word ik er vooral vrolijk van. Hoe fijn moet het zijn om op de eerste echt mooie lentedag wél te gaan stemmen maar nog zo heerlijk losjes met de wereld verbonden te zijn dat je pas in het stemhokje bepaalt welk bolletje het wordt? Deze jongen was niet dom, hij wist heus wel het verschil tussen GroenLinks en FVD, hij hoefde zich er alleen niet lang van tevoren druk om te gaan maken.
Hij hoefde zich niet druk te maken
Hij hoefde zijn hoofd niet te breken over parkeerkosten in het centrum, want ja, hij had alleen een fiets. Hij hoefde zijn hoofd niet te breken over woonproblematiek, want hij woonde nu toch nog op zolder bij zijn ouders en het was jammer dat er nu een flat verrees op zijn favoriete trapveldje, maar ja, dan was er vast wel weer een muur om tegenaan te tennissen. Hij hoefde zich niet druk te maken om dat waarvan extreemrechtse partijen zo graag wilden dat hij zich er zorgen over maakte: de teloorgang van de Nederlandse cultuur, want links en rechts van hem zaten klasgenoten van wie de ouders uit heel andere culturen kwamen en dat was hem al zijn hele leven fantastisch bevallen. Het gaf hem het idee dat de wereld zoveel groter was dan dat stomme plaatsje waar hij nu al zijn hele jeugd moest doorbrengen en bovendien kon hij zich nog goed herinneren dat hij de eerste keer, tijdens een speelafspraak op de basisschool, voor het eerst iets anders dan speculaas te proeven kreeg. Zijn kleverige, zoete vingers waren geweldig geweest! Jong zijn en dat je leven nog helemaal gevuld moet worden: dus hoe meer ervaringen van buiten, hoe beter.
Alle partijen spelen leentjebuur bij deze strategie
Op verkiezingsdag ging het in de media veel over lokale partijen, veel over ombudspolitiek. De uitvinder van dit soort politiek, Richard de Mos (waarom heet het dan trouwens niet demoscratie?) werd de grootste in Den Haag met de belofte problemen op te gaan halen bij de burger en die dan te gaan oplossen. Hoewel ze het niet zullen toegeven, spelen alle partijen leentjebuur bij deze strategie, en spreken ze zich vooral uit over concrete problemen en zwijgen over grote dromen. Maar wat als je nog helemaal geen problemen hebt?
Dan loop je, net 18 jaar, met je stempas in je binnenzak het verkiezingsbureau binnen. Er is geen parkeermeter die tikt, er is geen koophuis waarvan de WOZ-waarde wel of niet stijgt. Dan heb je de luxe om in dat stemhokje te bepalen hoe je denkt de wereld beter te maken. De wereld, niet jezelf. Die vrijheid maakt mij vrolijk. Vrolijk en, met de lente voor de deur, stikjaloers.