De oorlog in Iran doet zich tot in de supermarkt gelden. Foto: Tolga Akmen
Geopolitieke schokken zoals de Iran-crisis zorgen automatisch voor hogere voedselprijzen, ziet Ankie van Wersch. Maar terwijl we boeren vragen te investeren in een minder schokgevoelig voedselsysteem, leggen we de rekening ook volledig bij hen neer.
Hoge kosten aan de pomp, dure vliegtickets naar de zon en straks ook in de supermarkt: de oorlog in Iran is – hoewel de bombardementen vooralsnog zijn opgehouden – voelbaar in Nederland. Daarmee legt het conflict iets fundamenteels bloot: hoe fragiel onze toeleveringsketens zijn, en hoe afhankelijk we zijn van fossiele energie.
Vergis je niet: dit is geen incident. Na de Russische inval in Oekraïne schoot de gasprijs ook omhoog en viel de Europese kunstmestproductie deels stil. Ook toen kregen Nederlandse boeren te maken met hogere kosten door verstoringen in Oekraïense graanexport. Verstoring van het scheepvaartverkeer in de Rode Zee door de Houthi’s plaatst transportlijnen onder druk. Bij iedere nieuwe geopolitieke schok begint ons economische systeem te kraken.
De Iran-crisis raakt Nederland als grootexporteur en toegangspoort tot het Europese achterland harder dan gedacht. De eerste effecten zien we nu in energieprijzen.
Wat ontbreekt is een duidelijke standaard voor wat ‘duurzaam’ nou eigenlijk betekent
Maar later zal nog een tweede golf volgen: stijgende voedselprijzen door duurdere grondstoffen, hogere productiekosten, en tegenvallende oogsten wereldwijd. Die golf zal precies komen op het moment dat Nederlandse huishoudens hun maandlasten al omhoog zien gaan. De politieke reflex zal voorspelbaar zijn: dempen van prijzen (bijvoorbeeld door voedselproducenten te subsidiëren), accijnsverlagingen, incidentele steun aan bedrijven of burgers. Maar dat is allemaal symptoombestrijding.
Dus laten we ons niet blindstaren op de prijzen aan de pomp. Op de lange termijn zorgt het energieprobleem voor een kunstmestprobleem, want de productie van kunstmest vraagt enorme hoeveelheden aardgas. En omdat onze landbouw extreem afhankelijk is van kunstmest, ontstaat er vanzelf een voedselprobleem. Daar komt nog bij dat de Straat van Hormuz, waar nog altijd nauwelijks schepen doorheen varen, niet alleen essentieel is voor het transport van kunstmest, maar ook van graan en oliehoudende zaden.
Om voedseltekorten hoeven we ons niet zozeer zorgen te maken, maar om stijgende kosten en marges die structureel onder druk komen te staan wél. Zolang ons voedselsysteem leunt op fossiele energie, blijven geopolitieke conflicten doorwerken tot op ons bord.
Stikstofprotesten
Het zal dus anders moeten, maar als je afgaat op de aandacht die de afgelopen jaren uitging naar boeren die de snelweg blokkeerden tijdens stikstofprotesten, zou je denken dat boeren koppig zijn en niet willen veranderen. Maar dat willen boeren wel degelijk, zo bleek ook recent nog. De ‘stoppersregelingen’ waarmee de overheid veehouders financieel ondersteunt om hun bedrijf te beëindigen, zijn weinig effectief en bovendien impopulair onder boeren. De regelingen komen eerder neer op micromanagement vanuit Den Haag, terwijl de juiste prikkels om te veranderen achterwege blijven.
Datzelfde gebeurt in de hele productieketen. Verwerkers, winkelketens en voedselbedrijven spreken ambities uit, maar worden niet gestimuleerd, laat staan beloond. De goedkoopste optie blijft leidend. Wie wil omschakelen naar een manier van landbouw die bijvoorbeeld minder pesticiden gebruikt of minder intensief produceert, neemt hogere kosten en risico’s op zich zonder zekerheid van afzet of prijs. We vragen ondernemers dus te investeren in een minder schokgevoelige economie, maar leggen de rekening ook volledig bij hen neer.
Tegelijk zitten boeren, bedrijven en de overheid juist vaak op één lijn: iedereen wil langetermijnzekerheid en ruimte om zelf invulling te geven aan verduurzaming in de bedrijfsvoering. Wat ontbreekt zijn de juiste prikkels en een duidelijke standaard voor wat ‘duurzaam’ nou eigenlijk betekent.
Boerenbedrijven die werken met natuurlijke systemen verlagen hun kosten voor kunstmest en energie en zijn dus minder afhankelijk van externe factoren, zoals de oorlog in Iran. Daarmee versterken ze onze strategische onafhankelijkheid en maken ze ons economische systeem robuuster. Maar die omschakeling kost tijd en geld, zowel voor ondernemer als consument. Die verwachte prijsstijgingen eind dit jaar kunnen we dan ook niet meer voorkomen. We kunnen wél zorgen dat we bij een volgende crisis niet opnieuw verrast worden.
Logische keuze
Dat vraagt om een andere rol van overheid en markt. Risico’s anders verdelen, in plaats van kunstmatig prijzen dempen of inzetten op weinig effectieve uitkoopregelingen. Overheid en grote voedselafnemers zoals supermarkten en verwerkers kunnen samen zorgen voor prijs- en afzetzekerheid in de omschakelfase. Bijvoorbeeld via garanties, langetermijncontracten of gezamenlijke investeringen.
Zo staat een grote supermarktketen in een pilot nu alleen garant voor eventuele misoogsten van boeren die minder gif willen spuiten – de lagere winstmarge is een probleem voor de boer. Als de overheid hierin de samenwerking zou opzoeken, wordt verduurzaming geen sprong in het diepe, maar een logische economische keuze.
Op de langere termijn hebben we een ander verdienmodel nodig. Een systeem waarin duurzaam produceren wordt beloond, en waarin iedere schakel in de productieketen – van bank en producent tot consument – zich flexibel opstelt. Een systeem ook waarin afhankelijkheid van fossiele energie structureel wordt afgebouwd. Zolang we dat niet doen, blijven we reageren op crises in plaats van ze te voorkomen.
Ankie van Wersch is ceo van Future Up, een platform voor duurzaam ondernemen.