Journalist Wieberen Elverdink (40) woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp, centraal in het Noorden. Hij schrijft over kleine en grote gebeurtenissen in het (dorps)leven.
Ze hadden een cadeau voor ons nieuwe huis bedacht, hadden mijn schoonouders gezegd, maar we mochten zelf kiezen: óf een nieuwe tuintafel óf een boom.
Nou, daar hoefden we niet lang over na te denken. Dus stonden we nu hier, met aanhanger, voor de ingang van de kwekerij, op zoek naar een stam voor in de tuin die nog zo woest en ledig was.
Voorbij de poort openbaarde zich een lusthof zover het oog reikte. Pluimen, kelken, stengels en sprieten, kegel- of bolvormige kleurexplosies in uiteenlopende levensstadia. Springerig, statig en alles ertussenin. Ogenblikkelijk bekroop mij hetzelfde gevoel dat me als kind in speelgoedwinkels en later in cd-zaken overspoelde: het verlangen onbeperkt te kunnen winkelen. Om, niet gehinderd door welk budgetplafond ook, alles in je kruiwagentje te kunnen klappen wat je hartje begeert - al was dat in dit geval alleen al om praktische redenen (ooit de Hangende Tuinen van Babylon in een aanhanger gepropt gezien?) niet aan te bevelen.
Onze jongste (8) was al even overweldigd. ,,Hoeveel bomen en planten hebben jullie hier wel niet?’’, vroeg hij aan de kweker, een enthousiaste man wiens gemillimeterde coupe nogal contrasteerde met zijn welig tierende handelswaar.
,,Oeh, geen idee’’, antwoordde die, maar hij las meteen van het gezicht van de vraagsteller dat die daar geen genoegen mee nam.
,,Ik denk wel een miljoen’’, maakte de tuinder een slag in de lucht.
Een miljoen. De achtjarige overzag het uitgestrekte kwekerijterrein met toegeknepen, taxerende ogen en begon in zijn hoofd aan een onmogelijke optelsom. Ik keek hoe hij in stilte een reeks getallen over zijn lippen liet glijden.
,,Ik dénk zelfs ietsje meer’’, concludeerde onze jongste na een tijdje voldaan, alsof hij iedereen zojuist voor een kostbare miscalculatie had behoed.
De platanen stonden links achterin, vertelde de kweker, en even later voegden we ons bij twee rijen stammetjes, jong nog, ongeveer dik als een grotemensenpols. De kruinen waren vakkundig langs horizontale bamboestokken gebonden, zodat zich met de jaren een parapluvormig bladerdek zou vormen.
Dat het een plataan moest worden, stond voor ons vanaf het begin vast. Op ons vorige adres hadden we er dertien jaar geleden ook eentje geplant. Die was in de loop der jaren uitgegroeid tot een stevige jongen, ankerpunt voor de hangmat, schuilplaats bij stromende zon en felle regen, en voorzien van dat kenmerkende camouflagepatroon in de bast.
De boom deed ons denken aan die onverharde, door oeroude platanen beschaduwde pleintjes, zoals je ze in veel dorpjes langs de Dordogne zag. Van die prettig rommelige oases, met een monument voor de gevallenen tussen willekeurig opgestelde gietijzeren bankjes. Bankjes waarop je op een stoffige, gloeiende namiddag zo weg kon zakken, in slaap gewiegd door het gekeuvel van de pétanque-spelers verderop.
Van die pleintjes waar de tijd loom aan voorbij slenterde.
Misschien wilden we dáárom weer een plataan. Omdat ze iets van die filosofie ademden: de boel de boel, morgen zien we wel weer.
Zo wezen we de kweker op het dikste, meest doorleefde exemplaar van het stel. Dat moest ‘m worden.