Rienk Bijma wil aandacht vragen voor het werk van Willem Barend van Marle en het beeld van de schilder nuanceren. Foto: Corné Sparidaens
Hij was een Groningse kunstschilder, maakte illustraties voor Nieuwsblad van het Noorden en woonde in de tuinkoepel aan de Hereweg, maar wie de naam Willem Barend van Marle googelt, vindt vooral geruchten over zijn rol in de Tweede Wereldoorlog.
Tijd voor opheldering, vindt Rienk Bijma (75) uit Groningen. Met een boek over de schilder hoopt hij diens naam uit de vergetelheid te halen en het zwart-witbeeld te nuanceren. „Achter iemands keuzes zit altijd een verhaal.”
Het was op een kunstveiling in Assen dat Rienk Bijma en zijn man Johan eind vorige eeuw een schilderij kochten met een kerkje erop. „Gewoon een leuk schilderij”, voor in hun persoonlijke collectie, die de muren vult in hun huis aan de Zoutstraat in Groningen. Hoeveel het kostte weet hij niet meer, maar wel dat het niet heel veel was. Hij was gesigneerd door W.B. van Marle ‘35.
Het schilderij van het kerkje van Woldendorp door Willem Barend van Marle, dat Rienk Bijma jaren geleden kocht. Foto: Corné Sparidaens
Maar komt er iets aan de muur, dan wil Bijma - gepensioneerd docent Nederlands - weten wie de maker was. En laat dat bij Willem Barend van Marle een klein raadsel zijn. Bekend was dat hij een Groningse schilder was, geboren in 1909 en gestorven in 1988. Meer vond Bijma tot zijn verbazing niet. „Hoewel het, gezien het werk, een professionele kunstenaar moest zijn geweest.”
Bijma liet het rusten, tot hij een jaar of vijf geleden - inmiddels was er internet - de naam googelde. Hij vond een aantal geruchten over de handel en wandel van Van Marle in de Tweede Wereldoorlog. „Mijn nieuwsgierigheid was gewekt.”
Boek en tentoonstelling
Van Marle ging op onderzoek in archieven en sprak met musea en particuliere eigenaren van zijn schilderijen, onder wie ook familieleden van de schilder. Op 23 mei verschijnt zijn boek ‘Willem Barend van Marle. Leven en werk van een vergeten Groninger schilder.’ Op dezelfde dag opent een tentoonstelling over hem in het Veenkoloniaal Museum in Veendam.
Van Marle groeide op aan de Oude Kijk in ‘t Jatstraat, maar belandde op negenjarige leeftijd met zijn drie broers en zusjes in het Groene Weeshuis in de Oude Ebbingestraat, nadat hun beide ouders in twee jaar tijd overleden. Een oom kreeg de officiële voogdij.
Na wat omwegen, die in het boek uitvoerig worden beschreven, rondde hij in 1930 de opleiding ‘teekenen en kunstnijverheid’ af op Academie Minerva in Stad. Maar leven van zijn kunst was nog knap lastig. „Het waren de crisisjaren, Van Marle was een jonge kunstenaar en had nog geen naam of netwerk opgebouwd.”
Illustrator voor de krant
Om rond te komen, werd hij onder meer illustrator voor Nieuwsblad van het Noorden. Zo tekende hij in 1934 vanaf de Martinitoren de jaarlijkse paardenkeuring op de Grote Markt. „De volgende dag stond zijn illustratie in de krant.”
De illustratie die Willem Barend van Marle tekende van de paardenkeuring op de Grote Markt in 1934. Afbeelding via Kunsthandel Peter ter Braak
Van Marles bekendheid groeide, ook als kunstschilder. Hij mocht de lunchroom decoreren bij Koos Kerstholt, destijds een bekend hotel-restaurant op de Vismarkt. „Vaak schilderde hij taferelen in zijn naaste omgeving: stadsgezichten, de waterkant, een oud buurtje.”
Aan het begin van de oorlog meldde hij zich bij kunstkring De Ploeg. Hij wilde graag lid worden, maar werd afgewezen. „Te weinig passie”, luidde het onverbiddelijke oordeel. Daarop richtte Van Marle zijn eigen vereniging op: de Vereeniging voor Groninger Beeldende Kunstenaars (GBK).
Bestuurder bij de Kultuurkamer
Intussen stelde de Duitse bezetter de Nederlandsche Kultuurkamer in. Zogenaamd om de maatschappelijke positie van de kunstenaars te verbeteren, maar een lidmaatschap was niet vrijblijvend. Wie wilde blijven werken als kunstenaar, architect, schrijver, journalist, muzikant, filmacteur of podiumartiest, moest zich aansluiten. Het eigenlijke doel was een strenge controle op het culturele leven.
Net als veel andere kunstenaars meldde ook Van Marle zich. Maar waar de meeste leden niet meer dan lid waren, werd Van Marle in 1942 regionaal bestuurder van het gewestelijk bureau aan het Martinikerkhof. Daarmee stond hij NSB’er Ger Griever bij, hoewel hij zelf geen NSB’er was.
Het is, denkt Bijma, een van de redenen dat Van Marle in de vergetelheid is geraakt. Net als tienduizenden andere Nederlanders moest hij na de bevrijding zijn doen en laten in de oorlog verantwoorden. Over hoe dit voor Van Marle verliep, geven de archieven geen compleet beeld, maar een persoonlijke straf voor zijn rol heeft hij nooit gekregen. Wel kon hij in de krant lezen dat mensen in functies als die van hem tot 1950 niet meer mochten exposeren. Ook was zijn reputatie geschaad.
Ontlastende verklaringen
Toch stuitte Bijma in zijn onderzoek ook op veel ontlastende verklaringen. De Friese schilder Ruurd Elzer verklaart na de oorlog dat Van Marle niet zozeer sympathie had voor de nazi-ideologieën, maar dat vooral het salaris de schilder had aangesproken. Van Marle was niet onbekend met armoede. Ook zou de afwijzing van De Ploeg volgens Elzer een rol hebben gespeeld. ‘Nu kon hij eens de baas spelen’, las Bijma.
In het Nationaal Archief bleven diverse documenten bewaard waaruit blijkt dat Van Marle van zijn contacten met de bezetter gebruik maakte om kunstenaars te helpen. Dat blijkt ook uit een bedankbriefje van kunstenaar Siep van den Berg uit 1943. Toen hij wegens hulp aan een Joodse man was gedetineerd, schreef hij na zijn vrijlating: ‘Beste Van Marle, Mijn oprechte dank voor alles wat je in de afgeloopen weken voor mij gedaan hebt. Zonder jouw tusschenkomst zou ik waarschijnlijk voor een half jaar naar Vught te logeeren gegaan zijn, wat nu ontaarde in 7 week Huis van Bewaring.’
Zelf verklaarde Van Marle dat hij voor verschillende mensen vrijstelling wist te krijgen voor het werk in Duitsland of gevangenschap had kunnen verkorten. Ook zou hij aan de Duitse inlichtingendienst – zelfs na aandringen – geen namen hebben gedeeld van niet-leden van de Kultuurkamer.
Schilder en reclameman
Na de oorlog bleef Van Marle schilderen. Om daarnaast zeker te zijn van inkomsten, richtte hij in 1950 zijn eigen reclamebureau op. Na zijn overlijden, in 1988, nam zijn zoon dat bedrijf over.
Hoewel Van Marle vergeten werd, hangen zijn schilderen – zeker enkele honderden – overal en nergens. Een deel ligt in depots van musea, maar het grootste deel hangt bij particulieren, ondervond Bijma in zijn zoektocht.
Met het boek wil Bijma aandacht vragen voor Van Marles werk, maar vooral het bestaande beeld van de schilder nuanceren. „Ik hoop dat het boek lezers helpt om zich in te leven in de positie van de schilder. Waarom lopen levens zoals ze lopen? Waarom maken mensen de keuzes die ze maken? Daar zijn vaak redenen voor.”
Een van de vele schilderijen die Willem Barend van Marle schilderde van een waterkant. Schilderij uit de collectie van Museum aan de A.
Kon Minder
Kon Minder is een typisch Groningse serie over Groningers en Groningen. Laat je verwonderen en inspireren, of steek wat op. Want: is dit Gronings? Inderdaad. Dit is Gronings. Kon minder.