Bennie van Buizen uit Veendam heeft als imker veel bijen verloren: 9 van de 11 kasten. Foto: Harry Tielman
Het was een beroerde winter voor honingbijen. De sterfte van bijen is zeer hoog, en dat al jaren op rij. „Dit doet zeer. Ik kan weer opnieuw beginnen.”
Het was niet zijn eerste jaar als imker. Maar voor Bennie van Buizen (46) uit Veendam is dit wel een dieptepunt in zijn imkerbestaan. 9 van de 11 bijenvolken hebben de winter niet overleefd. „Ik kan weer opnieuw beginnen. Dat doet zeer. Het zijn ook gewoon dieren.”
Overal in Nederland was de sterfte deze winter hoog, concluderen de Bee Foundation en de Nederlandse Bijenhoudersvereniging. Uit gegevens van 695 imkers blijkt dat voor de vierde winter op rij een bijensterfte van meer dan 20 procent het geval is. Dat is ongebruikelijk hoog. De norm voor sterfte ligt ongeveer rond de 10 procent.
Van Buizen kan het nog sterker vertellen. Hij is voorzitter van de imkervereniging in Zuidlaren met 120 leden en hoort stevige getallen. „Sterfte deze winter van 50, 60, soms wel 80 procent.”
Eigen honing
Wat volgens de Bee Foundation duidelijk blijkt, is dat de sterfte van bijen hoger is (ruim 40 procent) als de volken hebben overwinterd op de eigen honing. Veel imkers voeden bij met suikerwater, maar sommigen doen dat dus niet.
Dat juist die bijen kwetsbaar zijn, is zorgelijk volgens de Bee Foundation. Het probleem ligt dan kennelijk in de kwaliteit van de honing. Dat is ook gelijk slecht nieuws voor andere soorten die nectar verzamelen: solitaire bijen, vlinders, hommels en zweefvliegen.
Het is voor veel imkers gissen naar de reden van de hoge sterftecijfers. Dat geldt ook voor Jan Meijer (65) uit Nieuwe Pekela. Hij draaide net als Van Buizen bepaald geen goede winter. Van de 60 kasten die hij heeft, is nog maar de helft over. „Dat is zeker slikken, ja. Het moment dat je iedere keer weer een kast openmaakt en erachter komt dat ook daar niets in zit…”
Voor Meijer ligt het zeker niet aan een gebrek in ervaring, hij houdt sinds zijn 14de al bijen. „Zoveel uitval heb ik nooit eerder gehad. In de jaren 80 gingen er eigenlijk nooit volken dood.”
Waarom dan nu wel? „Wist ik dat maar! Dan kon ik het oplossen.”
Zoeken naar oorzaken
Natuurlijk zijn er wel redenen te verzinnen. Allereerst is er natuurlijk die ene dodelijke parasiet: de varroamijt. Die werd voor het eerst in Nederland waargenomen in 1983 en zuigt een bij langzaam leeg. Imkers kunnen de eigen bijen behandelen tegen deze kleine plaagmijt, al blijft de parasiet altijd een bedreiging. Varroa is echter geen nieuw fenomeen. Er moeten dus meer oorzaken zijn voor de hoge sterfte in recente jaren.
„Ik heb het idee dat er te weinig voeding is voor de bij”, zegt Meijer. „Ze hebben eind van de zomer veel eiwitrijk voeding nodig van meerdere soorten bloemen. Als er weinig variatie is, dan sneuvelen ze.”
Daar sluit collega-imker Van Buizen zich bij aan. „Er zijn veel landerijen in Groningen, maar er bloeit geen enkel bloemetje. De bermen langs de weg zijn heel belangrijk, we moeten langer wachten met maaien: niet allen voor de honingbij, maar ook voor andere insecten.”
Het was schrikken toen Bennie van Buizen na de winter de bijenkasten opende. Foto: Harry Tielman
Hij wil aan iedereen meegeven: „Denk eens na over de tuin. Maak het niet alleen groen met een gazon, maar zorg dat er het hele jaar door allerlei planten bloeien.”
Pesticiden
Natuurlijk wordt er ook steeds fanatieker gewezen naar bestrijdingsmiddelen als oorzaak van de sterfte. De Bee Foundation onderzocht vorig jaar het aantal pesticiden in dode volken. De stichting vond in 23 monsters 64 verschillende pesticiden.
Toch zijn imkers Meijer en Van Buizen voorzichtig om daar met de vinger naar te wijzen. Meijer: „Pesticiden zullen ook een rol meespelen, maar dat kan ik niet aantonen. Eén van mijn bijenkasten stond in de buurt van lelies, maar daar is het juist niet misgegaan.” Voor lelieteelt zijn veel bestrijdingsmiddelen nodig.
Van Buizen vindt dat de boeren in zijn omgeving goed meedenken. „Boeren in mijn gebied spuiten vaak ’s avonds, als de bijen al in de kast zitten.”
Stofjes die niet in honing horen
Imker Roel Broekman (75) uit Koekange en bestuurslid van imkersvereniging Ruinen, wijst erop dat bijen van alles meenemen in hun kasten wat er niet thuis hoort. Hij wijst op diverse studies zijn waarin wordt aangetoond dat er in de honing allerlei stofjes zitten uit het milieu die er niet in thuis horen. „Ze nemen van alles mee uit de lucht. Fijnstof, gewasbeschermingsmiddelen, stuifmeel van planten die hier helemaal niet voorkomen, noem maar op.”
Zelf heeft Broekman geen extreem hoge sterfte (7 van de 9 kasten overleefden), maar binnen de vereniging Ruinen zijn er wel leden die meer bijen kwijtraakten dan anders.
Aziatische hoornaar
En dan is er nog die grote rover die in opmars is in Nederland. De Aziatische hoornaar (kort geleden omgedoopt tot geelpoothoornaar). Dit dier doodt hele bijenvolken. In Noord-Nederland is hij nog een minder groot probleem dan in de rest van het land, maar het beestje is bezig met zijn opmars. Ervaringen uit Frankrijk leren volgens de Nederlandse Bijenhoudersvereniging dat het verlies van bijenvolken door de geelpoothoornaar kan oplopen tot 30 procent.
Broekman had er al eentje bij zijn bijenkast. Hij heeft de exoot tot zijn spijt niet kunnen vangen. „Elke koningin die je nu afvangt is winst.” Op de website waarneming.nl worden ook in Noord-Nederland al een heleboel koninginnen gemeld.
Uiteindelijk blijft het gissen naar de precieze oorzaak van de hoge bijensterfte. Vermoedelijk is het een optelsom. Van Buizen: „ Zo’n beestje kan niet praten. Maar we moeten met z’n allen maar de schouders eronder zetten om te zorgen dat hij meer leefgebied heeft.”