Iedereen heeft last van pesten, niet alleen de slachtoffers. Toch laten we het op scholen en op de werkvloer nog altijd gebeuren. Hoe kan dat? En wat zijn de gevolgen? De Publieksacademie Sociale Wetenschappen gaat dinsdag over pesten.
Op de werkkamer van socioloog René Veenstra hangt een prent van Kamagurka. ‘Van pesters maken we positieve leiders’, staat er. Daaronder een tekening van een typische leraar, met bril en baard. ‘Gewoon om ze te pesten!’, zegt hij.
Een grappige cartoon, maar ook zeker geen gekke gedachte. Want het zijn vaak de leiders die pesten. In de schoolklas nemen meestal de populaire leerlingen het voortouw, later op het werk kunnen pestende leidinggevenden werknemers het leven zuur maken. En die negatieve leiders, zegt Veenstra, verschillen helemaal niet zo heel veel van positieve leiders.
„Ze hebben charisma, weten anderen voor zich te winnen, zijn strategisch, bepalen de sfeer in de groep. Als je werkt aan sociale processen op scholen, lukt het ook vaak om positieve leiders van ze te maken.”
Publieksacademie sociale wetenschappen
Veenstra doet aan de Rijksuniversiteit Groningen al twintig jaar onderzoek naar pesten op school. Op zijn werkkamer aan de Grote Rozenstraat zit ook organisatiepsycholoog Barbara Wisse. De twee wetenschappers spreken dinsdag 23 april op de Publieksacademie Sociale Wetenschappen in Forum Groningen over pesten.
Wisse onderzoekt pesten op de werkvloer, door ‘destructieve leidinggevenden’. Ongeveer 10 procent van de werknemers heeft daar last van: pestgedrag door managers. „Dat kan ernstige gevolgen hebben, zoals depressie, burn-out, slaapproblemen.” Pesten op het werk is een ‘systemisch probleem’, zegt Wisse. „Zo’n leidinggevende kan dat negatieve gedrag niet volhouden zonder vatbare volgers en behulpzame organisaties.”
Populaire kinderen bepalen de norm
Op dezelfde manier kijkt Veenstra naar pesten op school. „Het is een groepsprobleem. Ik ben ooit begonnen met het analyseren van netwerken. Dus niet alleen kijken naar pesters en slachtoffers, maar ook naar helpers en toeschouwers. Hoe werkt dat in een klas?”
Anders dan je misschien zou verwachten wordt de norm in een schoolklas niet bepaald door het gemiddelde gedrag van alle leerlingen, maar zijn het een paar populaire kinderen die de toon zetten. „Anderen kopiëren zowel het positieve als het negatieve gedrag van deze leiders. Alleen zien we dat als populaire leerlingen beide soorten gedrag vertonen, vooral het negatieve wordt gekopieerd.”
Dat komt, zegt Veenstra, omdat negatief gedrag makkelijker na te doen is. „Pesten, stoer doen, schreeuwen, drinken, roken, criminele activiteiten: dat is supermakkelijk. Maar het vergt investering om een positieve leider te zijn. Het is moeilijker om consequent aardig te zijn.”
De aanpak begint aan de basis
Of het dezelfde pesters in de schoolklas zijn die later destructieve leiders worden, is niet onderzocht. „Maar het lijkt me duidelijk dat als je dat soort gedrag wilt tegengaan, je aan de basis moet beginnen. Bij kinderen dus.”
De redenen waarom leidinggevenden op de werkvloer pesten lopen uiteen, zegt Wisse. „Soms gaat het om puur eigenbelang, het verwerven van een positie. Heel strategisch. Het kan ook komen door druk van bovenaf, dat leidinggevenden denken zo de prestaties van ondergeschikten te verbeteren. Of het is niet verkeerd bedoeld, maar komt voort uit miscommunicatie.”
Wisse is geïnteresseerd in macht en leiderschap, maar ook in wat ze ‘donkere eigenschappen’ van persoonlijkheid noemt: zoals narcisme, Machiavellisme, psychopathie. „Dat soort mensen kunnen charmant en charismatisch, en ook succesvol zijn. Kijk naar De Wereld Draait Door. Achter de schermen waren er woede-uitbarstingen en scheldpartijen, maar het scoorde wel.”
Toxische sfeer is contraproductief
Voor pesten op het werk is de laatste jaren meer aandacht gekomen, zegt Wisse. De zaak van France Télécom, waar het pesten zo ver ging dat werknemers zelfmoord pleegden, heeft veel losgemaakt. En grensoverschrijdend gedrag, waar het nu zo vaak over gaat, is in veel gevallen ook een soort pesten. „Er is meer begrip voor slachtoffers, er zijn vertrouwenspersonen, bedrijven en organisaties zien in dat zo’n toxische sfeer contraproductief is.”
Op scholen zou nog veel meer kunnen gebeuren om pesten te bestrijden of voorkomen, vindt Veenstra. „We hebben een succesvol en uitvoerig getest programma tegen pesten ontwikkeld: KiVa. Toch gebruikt nog geen 10 procent van de scholen het. Tijdens vier jaar pabo wordt ongeveer een week besteed aan sociale processen.”
Volgens Veenstra zijn die sociale processen juist cruciaal en is de complexiteit ervan een belangrijke reden waarom leraren afhaken in het onderwijs. „Dat kunnen we ons in deze tijd van lerarentekorten niet veroorloven.”
Kinderen houden zichzelf voor de gek
De negatieve sfeer die pestgedrag veroorzaakt heeft invloed op de hele omgeving. Op leraren, en op andere leerlingen in de klas. „De meeste kinderen vinden pesten stom, ze denken alleen dat anderen het wel leuk vinden. Zo houden ze zichzelf voor de gek, dat fenomeen noemen we ‘pluralistische onwetendheid’.”
Het aanpakken van pesten op school en op het werk is in het belang van iedereen. Niet alleen van de slachtoffers.
Over de gevolgen van pesten: het verhaal van Anke de Boer
Altijd was Anke de Boer bezig met eten. Bij alles wat ze at vroeg ze zich af: hoe raak ik dit zo snel mogelijk kwijt? Een eetstoornis beheerste haar leven op de middelbare school.
Ze kreeg hulp, volgde therapie die haar moest leren om weer gezond om te gaan met voedsel. Het hielp weinig, en zelden ging het over de vraag: waar kwamen die eetbuien eigenlijk vandaan?
Pas tijdens haar studie orthopedagogiek vielen de puzzelstukjes in elkaar. Daar gingen het over de ontwikkeling van kinderen en allerlei gebeurtenissen die daar impact op kunnen hebben. ,,Ik ben het klassieke voorbeeld van een kind dat gepest en buitengesloten is geweest en daar op lange termijn negatieve gevolgen van heeft ervaren.”
Ze werd gepest in groep 7 en 8 van de basisschool. „Aan de ene kant was ik een populair kind, maar ik werd ook afgewezen. De dynamiek in de klas was ingewikkeld, met groepsvorming, pesterijen en van dat venijnige meidengedrag. Soms had ik opeens de hele klas tegen me, werd ik genegeerd en buitengesloten. Maar soms was ik zelf ook een pester. Omdat het veilig was als iemand anders even het mikpunt werd.”
De hele dag liep ze op eieren, bang om iets verkeerds te zeggen of te doen. „Probleem was ook dat de leraar niet wist hoe hij met onze klas om moest gaan. Dat soort handelingsverlegenheid bij leraren zie je vaker bij pesten. Nog steeds. Al is het moeilijk hoor, met die groepsdruk en sociale interactie.”
Op de middelbare school stopte het pesten, maar met Anke zelf ging het steeds slechter. Ze werd onzeker over wie ze was en hoe ze eruit zag. „Ik vond mezelf niet veel waard.” Ze overschreeuwde zichzelf door tegen alles in te gaan en brutaal te zijn tegen leraren, wat haar respect opleverde van klasgenoten. „Ik zat meer op de gang dan in de klas.”
Voor school en leren had ze totaal geen ruimte, wat op de basisschool al begon. Ze was voortdurend bezig met haar omgeving en wat anderen van haar zouden vinden. Ze scoorde laag op de citotoets en kreeg het advies om naar de mavo te gegaan. „Als je niet goed in je vel zit kun je niet leren.” Daarom maakt ze zich zorgen over de sterke focus die er nu in het onderwijs ligt op de basisvaardigheden. „Er moet altijd aandacht zijn voor veiligheid en sociaal-emotionele ontwikkeling.”
Zo stoer als ze zich voordeed op de middelbare school was ze in werkelijkheid niet. Ze ontwikkelde een eetstoornis, boulimia nervosa, waar ze pas van genas toen ze halverwege de 20 was. Op de middelbare was ze elke dag bezig met hoe ze aan eten kon komen – nog niet zo makkelijk als tiener met ouderlijk toezicht – en waar ze daarna kon overgeven. Het was slopend.
„Ik was puur aan het overleven. Er waren momenten waarop ik dacht: als het zo moet wil ik niet meer.” Wat ze nodig had, was om gezien en gehoord te worden. Bijvoorbeeld door die ene handvaardigheidsdocent en de directeur van de school die die wel oog had voor hoe het met haar ging.
In de dieptepunten van haar eetstoornis vond ze Gods aanwezigheid. Dat gaf haar de moed om door te gaan. Na de mavo doorliep ze alle vormen van onderwijs (mbo, hbo, wo) en in 2018 promoveerde ze in de orthopedagogiek op het onderwerp inclusief onderwijs. Ze werkt in het speciaal onderwijs en is universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen.
„Die periode van het pesten heeft me gevormd, negatief en positief. Hoe lastig het ook was, het heeft me gevormd tot wie ik nu ben.”
Publieksacademie sociale wetenschappen
De publieksacademie over pesten is op dinsdag 23 april vanaf 19.30 uur in Forum Groningen. Sprekers zijn socioloog René Veenstra en organisatiepsycholoog Barbara Wisse van de Rijksuniversiteit Groningen. Daarnaast vertelt orthopedagoog en universitair hoofddocent Anke de Boer over haar persoonlijke ervaringen met pesten en de gevolgen ervan.
De publieksacademie sociale wetenschappen is een samenwerking van de faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen en Dagblad van het Noorden. De volgende afleveringen gaan over trauma (25 juni) en depressie en burnout (22 oktober).