Max Blokzijl bij het Haagse Gerechtshof, waar hij de doodstraf kreeg.
Foto: Het Nationaal Archief Foto: Het Nationaal Archief
Ze waren zó fout geweest dat ze wel dood mochten. Laverend tussen wraak en rechtsgevoel kregen 154 landgenoten na de Tweede Wereldoorlog de doodstraf. Van hen eindigden er 39 daadwerkelijk voor een vuurpeloton. De doodstraf was toen al 75 jaar afgeschaft.
Ze hadden joden naar de gaskamers gejaagd, ze hadden onderduikers verraden, ze hadden voor de SS gewerkt, ze hadden geld verdiend met zwarte handel of ze waren lid geweest van de Nationaal Socialistische Beweging, de partij die samenwerkte met de Duitse bezetter. Bij elkaar ruim 150.000 landgenoten, die in de weken na de bevrijding in 1945 - nu tachtig jaar geleden - werden gearresteerd.
De ‘gewone’ gevangenissen zaten al gauw vol, dus werden ze ook opgesloten achter het prikkeldraad van interneringskampen. Denk dan aan het kamp Barna in Harlingen, kamp Ericadorp in Leeuwarden, het kamp Westerbork, het kamp Helpman in Groningen en kamp De Kazemat in Veendam.
Wraakgevoelens botvieren
Met het oog op hygiëne en veiligheid een beroerde situatie, om nog maar te zwijgen van de geïmproviseerde bewaking, die vooral in handen was van avontuurlijke jongens die zich - met de bevrijding in zicht - bij de Binnenlandse Strijdkrachten hadden aangesloten. „Veel van hen meldden zich om wraakgevoelens op NSB’ers te botvieren”, stelt historicus Ewoud Kieft van het NiodInstituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. „Maar een alternatief was er niet: ze konden de bewaking moeilijk overlaten aan politiemensen die net vijf jaar lang onder regie van de Duitsers hadden gewerkt.”
In de geïmproviseerde gevangenissen speelden zich schrijnende toestanden af, weet Kieft. „Het was een chaos. In meer dan zestig interneringskampen was sprake van mishandeling en in zes kampen is structureel mensonterend geweld gebruikt, blijkt uit onderzoek achteraf. Denk dan aan vernederende martelingen en seksueel geweld.”
Wat moest er gebeuren met al die gevangenen achter het prikkeldraad? Politiek Den Haag had zo kort na de bevrijding de handen vol aan het op poten zetten van het landsbestuur en wilde zo snel mogelijk af van de foute landgenoten. Deporteren dan maar? Er kunnen wel 20.000 naar het Duitse eiland Borkum, luidde een advies op het ministerie van Justitie. Of anders: naar Indië, destijds nog onderdeel van het koninkrijk.
Omdat die suggesties weer veel nieuwe problemen zouden veroorzaken, hield de regering toch maar vast aan de traditionele rechtspraak. Maar om de vaart erin te krijgen, kwam er ‘Bijzondere Rechtspleging’ met als bijzonderheid dat de doodstraf in ons land weer werd ingevoerd.
Oproep koningin Wilhelmina
Koningin Wilhelmina had de roep om zware straffen voor ‘foute onderdanen’ al in de oorlog een duwtje gegeven. Bij een radiotoespraak tijdens haar ballingschap in Londen zei ze strijdlustig dat er ‘voor een handjevol verraders in het bevrijde Nederland geen plaats meer zou zijn’.
Tel daar een forse portie wraak bij op en de uitslag van een enquête van destijds is verklaarbaar: uit een opinieonderzoek in het najaar van 1945 blijkt dat een ruime meerderheid van de Nederlanders destijds voor herinvoering van de doodstraf was.
Ze kregen wat ze wilden: aanklager Hans Zaaijer kondigde bij de eerste zitting waarbij ‘foute’ landgenoten voor de rechters verschenen al aan dat de verdachten niet op een milde behandeling hoefden te rekenen: „Meedogenloos zal de rekening worden gepresenteerd.”
Tekort aan alles
Struikelbok bij de procesgang was dat er in die naoorlogse jaren een tekort was aan alles: mankracht, werkruimte en papier om de dossiers vast te leggen. En ook: rechercheurs en rechters met een schone lei. Dat wil zeggen: ervaren krachten die in de oorlog niet naar de pijpen van de bezetter hadden gedanst. Daar kwam bij dat advocaten niet stonden te springen om collaborateurs te verdedigen, want dat kwam ze op scheve gezichten van hun omgeving te staan.
Uit literatuur over die tijd blijkt hoe de rechterlijke macht toen moest balanceren tussen de roep van de gewone burger om vergelding en de wettelijke kaders. In zijn onderzoek ‘Tussen oorlogswraak en rechtsstaat’ belicht historicus Kieft die stappen op de denkbeeldige evenwichtsbalk.
„Eerst werd alles en iedereen die met de NSB te maken had gehad op één hoop gegooid. Of je alleen maar lid was geweest van de partij, of dat je mensen had verraden of vermoord, leek niet uit te maken: je had geheuld met de Duitsers, dus was je de vijand en deugde je niet. Punt uit.”
Aanvankelijk speelde de rechtspraak in op die wraakgevoelens. Wie aanvankelijk opgelucht was dat zijn zaak betrekkelijk snel werd behandeld, kwam bedrogen uit, want juist de eerste lichting kon op stevige straffen rekenen. Levenslang was geen uitzondering.
Of erger: de doodstraf. In veel gevallen werd dat na hoger beroep of na gratieverzoeken ook omgezet tot levenslange celstraffen, maar 39 zware gevallen eindigden toch voor het vuurpeloton. Zo kregen NSB-leider Anton Mussert, politiechef Hanns Rauter en jodenverraadster Ans van Dijk (de enige vrouw) de kogel.
„Bij de meeste ter dood veroordeelden stond die straf - gezien de historische context - wel in verhouding tot waar ze zich schuldig aan hadden gemaakt”, zegt Kieft. Misschien overbodig om te vermelden, maar inmiddels is de doodstraf in ons land weer afgeschaft.
Opvallend is dat de vonnissen na verloop van tijd minder zwaar werden, ook voor vergrijpen die vergelijkbaar waren. Kieft: „Langzamerhand kwam de nuance er weer in en kwam de behoefte aan vergelding en wraak wat meer op de achtergrond. Stap voor stap kwam de juridische balans weer terug, werd er in hoger beroep nóg eens zorgvuldig naar een zaak gekeken of werden de verdachten en de omstandigheden nog eens tegen het licht gehouden, waarna er een meer afgewogen beslissing uit kwam.”
Dat lag anders bij veel gevangenen die in de sfeer van bijltjesdag kort na de bevrijding werden opgepakt op grond van vage beschuldigingen. „Daar waren mensen bij die jaren in een interneringskamp hebben gewacht tot de aanklagers aan hun zaak toe kwamen. En toen die inhoudelijk moesten worden behandeld, bleek er weinig of niets aan de hand te zijn.’’
Onschuldig vastgezeten
,,Of wist niemand meer waarvoor ze waren opgepakt. Daar zaten schrijnende gevallen tussen. Want ook al bleken ze onschuldig te zijn, ze waren opgepakt en hadden vastgezeten. Het gevolg was dat ze er in hun eigen omgeving op werden aangekeken. In hun buurt hadden ze dan toch het stempel ‘fout’. En daar kwam je maar moeilijk vanaf.’’
De slalom tussen wraak en recht duurde ruim vijf jaar. In 1950 waren de zaken van alle ‘oorlogsgedetineerden’ behandeld. In die periode waren 66.000 zaken met ‘foute’ landgenoten (en Duitsers) voor de rechter verschenen, van wie er 35.000 voor kort of lang achter de tralies verdwenen. In dezelfde periode kwamen er 200.000 gevallen voorbij waarvoor geen straffen werden uitgedeeld.
Daarmee leek de spanning tussen oorlogsvergelding en herstel van de rechtsstaat voorbij. De balans: de vergelding heeft zijn werk gedaan, maar er hebben ook onschuldigen vast gezeten. Die twee kanten horen bij oorlog en verwerking, meent onderzoeker Kieft. „Wat kun je verwachten van mensen na vijf jaar onderdrukking? Met de menselijke blik van nu denk je: dit is toch verschrikkelijk? Maar als ik kijk met de blik van de historicus valt het te verklaren. Het is allebei waar denk ik.”
Geraadpleegde literatuur: Tussen oorlogswraak en rechtsstaat door Ewoud Kieft, https//www.niod.nl/longreads en Na de bevrijding door Ad van Liempt.
Anton Mussert in de gevangenis in Scheveningen, in afwachting van zijn vonnis.
Foto: Het Nationaal Archief Foto: Het Nationaal Archief
Mussert bleef Hitler trouw
NSB-leider Anton Mussert (geboren in 1894) was oprichter en leider van de Nationaal-Socialistische Beweging, de partij die in de oorlog met de Duitsers samenwerkte. Hij was trouw aan Adolf Hitler en stond daarom eind 1945 terecht voor verraad.
In juridische termen: hulpverlening aan de vijand, een poging om het land onder vreemde heerschappij te brengen en een poging om de grondwettelijke regeringsvorm te veranderen. Bij de zitting verhulde hij niet dat hij aanhanger was van de nazileider.
In Musserts eigen woorden: „Adolf Hitler droeg ons volk geen kwaad hart toe, hij had het beste met ons voor, maar hij werd systematisch tegengewerkt door zijn omgeving.”
De aanklager eiste de doodstraf. Ter verdediging hield Mussert een urenlang betoog, doorspekt van politieke denkbeelden. Zijn advocaat spitste zich toe op juridische aspecten, maar het maakte allemaal weinig indruk: de NSB-leider werd ter dood veroordeeld.
Dat had zijn advocaat ook al verwacht, noteerde de schrijver van de Mussert-biografie later. Volgens hem stond al vast dat Mussert de kogel zou krijgen omdat ‘... in die dagen een communis opinio bestond dat de ergste NSB’ers - en in de eerste plaats Mussert die nu eenmaal als NSB’er bij uitstek gold - er niet met minder dan de doodstraf af mochten komen.’
In mei 1946 werd het vonnis voltrokken op de Waalsdorpervlakte. Hij werd vergezeld door zijn zwager en een dominee. In een duinpan gaf hij zijn zwager zijn jas, zijn vest en zijn hoed. Mussert kwam oog in oog te staan met een vuurpeloton en weigerde de blinddoek. De predikant sprak nog een paar woorden voor Mussert aan een paal werd vastgebonden en het salvo klonk.
Het gruwelijke badkuip-verhoor
Gerrit Sanner (geboren in 1909) kreeg in 1947 de doodstraf. Als leider van de Bloedgroep Norg maakte hij aan het einde van de oorlog jacht op Nederlandse verzetsmensen, waarbij hij gruwelijke verhoormethoden hanteerde om zijn arrestanten aan het praten te krijgen. Voor de oorlog werkte Sanner in de bouw en in een winkel. Hij werd lid van de NSB en vocht als lid van de Waffen-SS aan het Oostfront. Terug in Nederland sloot hij zich in 1943 aan bij de Landwacht, een soort hulppolitie onder regie van de Duitsers.
Na de bevrijding van Zuid-Nederland vluchtten veel NSB’ers naar het Noorden, waar ze dachten veilig te zijn voor het oprukkende geallieerde leger. Zo kwam de ploeg Landwachters die Sanner leidde naar Drenthe, waar ze vanaf oktober 1944 werkten vanuit Norg. Daar richtten ze zich op de opsporing van verzetsmensen.
Hadden ze iemand te pakken, werd deze net zo lang verhoord en gemarteld tot die de namen van zijn medestrijders opbiechtte. Zo hielden ze hun arrestanten naakt met hun hoofd onder water in een badkuip. Als het slachtoffer bijna verdronk, haalden ze hem weer boven water, tot hij namen noemde.
Andere verzetsmensen werden door de zogenoemde Bloedgroep Norg gefusilleerd of aan de Sicherheitsdienst uitgeleverd, wat meestal ook het voorportaal van de dood betekende.
Met de bevrijding in zicht dook Sanner onder. Hij leek zijn straf te ontlopen, tot de politie hem betrapte bij een inbraak. Sanner werd overgebracht naar een cel in Veenhuizen, waar iemand hem herkende. Zo werd hij ontmaskerd als de man die als leider van de wrede groep uit Norg veel méér op zijn geweten had.
Bij een zitting van het Bijzondere Gerechtshof in Assen kreeg hij de doodstraf. Bij die zitting waren zijn handen geboeid zodat hij de brief met zijn verweer niet uit zijn zak kon halen. Op 1 mei 1947 werd het vonnis voltrokken in Groningen.
Kogel voor de radioman
Ook Max Blokzijl (geboren in 1884) eindigde voor het vuurpeloton. Blokzijl was zanger en journalist. Hij werkte als correspondent in Berlijn en werd voor de oorlog in het geheim lid van de Nationaal-Socialistische Beweging. Toen de Duitsers in 1940 in ons land de macht grepen, benoemde de NSB-partijtop Blokzijl als kopstuk van hun departement van Volksvoorlichting en Kunsten, dat eigenlijk een propagandamachine van de nazi’s was.
Als begenadigd spreker hield Blokzijl vanuit Hilversum bevlogen radiopraatjes waarin hij Hitler bejubelde en de loftrompet stak over de zogenaamde zegeningen van de Duitsers. Dankzij de achthonderd opnames was het bewijs makkelijk te leveren. Blokzijl stond terecht omdat hij propaganda had gemaakt ‘gericht op het breken van het geestelijk verzet van het Nederlandse volk en het ontrouw doen worden van dat volk aan de gemeenschappelijke geallieerde zaak’.
Zijn beroep tegen het doodvonnis en een gratieverzoek bij de koningin haalden niks uit. Nadat hij over zijn naderende doodstraf hoorde, noteerde hij in zijn dagboek dat hij vond dat hij werd opgeofferd aan de wraakzucht van het volk. In maart 1946 vond de executie plaats.
De Volkskrant bracht een verslag: ‘Terwijl het peloton de voorbereidingen trof, stond Blokzijl met de handen vastgebonden en in de mond een zelfgerolde sigaret. Onmiddellijk werd door een dokter de dood geconstateerd. Een der soldaten bukte en raapte het shagpeukje op dat hij even aandachtig bekeek en toen in zijn portefeuille weg borg.’