Tjeerd Veenhoven en Petra Boorsma: „We gaan nu echt naar een industrialiseringsslag.'' Foto: Siese Veenstra
Designer Tjeerd Veenhoven won tien jaar geleden een prijs voor zijn idee om kleding te maken met algen. Een kijkje in zijn studio laat zien dat de ontwerper zich tegenwoordig vooral focust op materialen als lisdodden, riet en bomen die goed gedijen in veengronden.
„De laatste vijftien jaar ben ik vooral materiaalontwikkelaar”, zegt Veenhoven. Fel licht valt door de hoge ramen in de grote studio aan de Paradijsvogelstraat in Groningen. Overal liggen zijn ontwerpen en experimenten: slippers, schimmels, bankjes en zitjes. Veenhoven is al zo’n 25 jaar ontwerper en kan een eigen tentoonstelling inrichten van alle ontwerpen.
Sinds een aantal jaren werkt Veenhoven samen met het Biosintrum in Friesland, dat bedrijven en anderen probeert samen te brengen in het werken aan een duurzame toekomst. Directeur Petra Boorsma loopt enthousiast rond in de loods en de twee raken niet uitgepraat over alle ontwikkelingen. „We gaan nu echt naar een industrialiseringsslag, dat is voor jou ook wel spannend Tjeerd,” zegt ze. „We gaan uit het museum de maatschappij in.”
Er komt nu een professionaliseringsslag in combinatie met boerenwijsheid
Ze doelt op het lisdodden-project. Die planten, die vooral groeien in veengebieden, kreeg Veenhoven ongeveer tien jaar geleden in het vizier. „Er is nu geen discussie in Nederland die niet raakt aan wat wij doen”, zegt Veenhoven. Lisdodden nemen tijdens de groei van de plant namelijk CO2 op en kunnen worden gebruikt als duurzaam isolatiemateriaal.
Veengebieden als nieuwe landbouwgrond
Bovendien groeien lisdodden ook nog eens welig op grond waar verder geen andere bestemming voor is. Sterker nog, vanwege bodemdaling is het juist belangrijk dat de veengebieden intact blijven. „Maar al die gewassen die in natte omgeving groeien, daar hebben we natuurlijk nooit zo heel veel mee gedaan in het verleden. En daar moeten dus een heleboel functies opnieuw bedacht worden.” Dat is het moment dat Veenhoven zich kan uitleven op het experimenteren en herontdekken.
„Wat ik het mooiste daaraan vind is om de proof of principle te leveren, dat je dit dus kan waarmaken met anderen.” Hij werkt inmiddels zo’n vijf jaar samen met Boorsma. „En eindelijk is het nu zover dat we de hele keten van land tot pand kunnen gaan maken.”
Petra Boorsma: . „Er melden zich nu spontaan boeren bij ons.” Foto: Siese Veenstra
Boorsma knikt. Het gaat nu hard, zegt ze. „Er melden zich nu spontaan boeren bij ons.” Die boeren hebben gedeeltes van hun land die erg nat zijn. „Dus er komt nu een professionaliseringsslag in combinatie met boerenwijsheid.”
Wie denkt dat Veenhoven alleen tijd doorbrengt in zijn studio heeft het mis. „Ik ben tegenwoordig overal”, zegt hij terwijl hij op zijn laptop bladert door foto’s van oogsten waar hij bij was. „Kijk, gisteren hadden we een fantastische oogst en hadden we te weinig bakken.”
Kleding van algen
Voor de lisdodden waren er de algen. In 2015 won Veenhoven nog een prijs voor zijn idee om kleding te maken met algen. „Over tien jaar lopen we allemaal rond in kleding van algen”, voorspelde hij ooit. Is dat eigenlijk gelukt? Kleding maken van algen?
Veenhoven lacht even. „Ja dat kan. Het is wel een heel slecht idee.” Dat heeft weinig te maken met of het haalbaar is om kleding te maken van algen, dat dat kan is hem wel duidelijk. „Soms heeft iets methodisch gezien wel waarde, maar heeft het qua impact geen waarde”, legt Veenhoven uit.
„We hebben inderdaad algen geoogst uit de zee, die gedroogd, daar de cellulose uitgehaald, schoongemaakt, die cellulose in een gesloten chemisch systeem opgelost en daar dan zo’n pastaslier van geperst”, somt Veenhoven op. „Als je die pastasliert uitrekt, krijg je op een gegeven moment een draadje dat net zo dun is als een stukje katoen.”
Dus ja, het kan. Cellulose is echter nog op veel meer plekken te vinden. „Dus waarom zou je daarvoor helemaal de zee op gaan?” Het is een belangrijke vraag voor zijn werk als ontwerper, vindt hij. „De duurzaamheid was geweldig, de technologie heel gaaf, maar qua economische haalbaarheid is het heel slecht.” Hij vindt het belangrijk dat ontwerpers kritisch naar hun eigen werk durven kijken. „Onze oplossingen zijn soms echt heel slecht.”
Ingemaakte lisdoddenwortel
Dat geldt ook voor toepassingen van lisdodden, zegt Veenhoven. „Maar ik vind het wel belangrijk dat er dingen geprobeerd worden.” Zo zijn de wortels van de lisdodden eetbaar en bevatten ze veel zetmeel. „In 2016 hebben we dus eens ingemaakte lisdoddenwortel gegeten.” Een leuk experiment, voor bijvoorbeeld een restaurant. „Maar je kunt net zo goed aardappel eten.”
In het midden van het atelier ligt een flinke stapel platen op een pallet. Ze lijken op regulier plaatmateriaal dat veel wordt gebruikt in de bouw, maar dan van lisdodden. „Plaatmateriaal is het tweede product, waarmee we alle resten die we niet voor isolatie gebruiken kunnen gebruiken”, zegt Veenhoven.
Versneden lisdodden die op deze manier kunnen worden gebruikt als isolatiemateriaal. Foto: Siese Veenstra
„Hier is echt veel interesse in”, zegt Boorsma, terwijl ze vragend naar Veenhoven kijkt. Die knikt. Hij mist op dit moment de mankracht om grote partijen te kunnen klaarmaken. „Het is ook nog best wel lastig. Plaatmateriaal heeft een hele brede hoeveelheid specificaties: watervast, brandwerend en sterk genoeg.”
Er hangen al wat platen in een kantoor in Friesland om te testen. Veenhoven wil weten hoe ze zich houden in bijvoorbeeld vochtige omstandigheden. Hij laat een foto zien. „Kijk, ik heb er een bereklauw in verwerkt.” Zodat mensen misschien toch iets langer stilstaan bij de wandbekleding. „Dan komt toch de ontwerper weer om de hoek kijken.”
Het blijft niet bij de lisdodden, verwachten de twee. „De wilg, de els”, somt Boorsma op. „Daarvoor zijn verschillende behandelingen, type van oogst en drogen, nodig. Daar kun je allemaal verschillende producten van maken.”
Hergebruikt riet
Riet is de bekendste ‘nattevoetenplant’ die wel al veel gebruikt wordt in de bouw, vooral voor rieten daken. Na dertig of veertig jaar worden die doorgaans vervangen en wordt het riet verbrand. „Maar Tjeerd heeft nu bedacht hoe het gerecycled kan worden”, zegt Boorsma. Ze wijst naar een rieten bankje. „In het riet is al CO2 opgeslagen. Het zou raar zijn als je dat niet gebruikt en verbrandt.”
En dan is er nog de pitrusplant, vertelt Veenhoven enthousiast. „Dat was een van mijn favoriete projecten afgelopen jaar.” Vroeger was de grasachtige plant geen graag geziene gast: het zou betekenen dat de grond slecht was.
Gedroogde stengels van de lisdoddenplant, geoogst in november. Foto: Siese Veenstra
Ecologen zijn al langere tijd bezig met het aantrekkelijker maken van de omgeving voor de zwarte stern. Die vogel wil graag op groen in de sloten nestelen, maar dat hebben we in Nederland nauwelijks meer. Ontwerpen blijkt dan soms ook een kwestie is van heruitvinden.
Veenhoven bladert door een tijdschrift uit de jaren zeventig, waarin een meisje vlecht met pitrusplanten. Zijn grote inspiratie, lacht hij. De pitrusplantjes bleken namelijk uitstekend vlechtmateriaal te zijn om mandjes te maken voor de zwarte stern. Niet per se direct een grote winstgever? Wel in het grotere plaatje. „Die zwarte stern is belangrijk voor de biodiversiteit en als je daar stenen uit sloopt, stort de hele piramide in.”