Jaarlijks stelt de overheid ruim 100 miljoen euro beschikbaar voor gemeenten om jongeren uit de criminaliteit te houden. Foto: ANP/Roos Koole
Jaarlijks investeren gemeenten 100 miljoen euro aan publiek geld in het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Maar vaak zonder zicht op wat dat oplevert. Dat roept de vraag op hoe verantwoord deze bestedingen zijn en dwingt ook de wetenschap tot kritische zelfreflectie, stellen Roy Krijger en Simon Venema.
De Zembla-aflevering ‘De prijs van jeugdcriminaliteit’ van 28 mei jongstleden laat zien dat er een wildgroei is ontstaan aan preventieve maatregelen tegen jeugdcriminaliteit. Jaarlijks stelt de overheid ruim 100 miljoen euro beschikbaar voor gemeenten om jongeren uit de criminaliteit te houden. Het onderzoeksprogramma ontdekte dat dit geld onder meer wordt ingezet om ongeveer 250 initiatieven, zoals VR-simulaties, escape rooms en voorlichtingen op scholen, te financieren.
Wat vaak ontbreekt, is overtuigend bewijs dat deze interventies daadwerkelijk leiden tot minder crimineel gedrag. Soms werken ze zelfs averechts. Veel initiatieven verdwijnen weer voordat duidelijk is wat ze opleveren. Daardoor ontstaan steeds nieuwe initiatieven en bouwen we nauwelijks voort op bestaande praktijken; een gemiste kans.
De vraag die Zembla stelt is dan ook terecht: hoe verantwoord is het om geld te investeren in interventies waarvan we niet weten of ze werken? Als zoveel geld wordt besteed aan aanpak van jeugdcriminaliteit, moet de vraag naar effectiviteit centraal staan. Alleen goede bedoelingen zijn niet voldoende.
De samenleving mag verwachten dat er wordt geïnvesteerd in werkwijzen die bijdragen aan het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Probleemgedrag bij jongeren kan bijvoorbeeld afnemen wanneer zij langdurig in teamverband sporten bij een lokale sportvereniging, onder begeleiding van coaches en positieve rolmodellen. Zulke bewezen interventies zijn echter schaars.
Wat is effectief?
Veel onderzoek richt zich op de impact van één interventie, zoals een training voor sociale vaardigheden, behandeling of therapievorm. Het geldt als bewezen effectief wanneer zij in een afgebakende onderzoeksopzet aantoonbaar leidt tot minder crimineel gedrag. Zo weten onderzoekers zeker dat het resultaat door deze interventie komt, en niet door iets anders.
Zo’n onderzoek laat dus vooral zien of een interventie werkt in de omstandigheden waarin die is getest. Die kennis blijft belangrijk, maar levert ook uitdagingen op vanwege de complexe werkelijkheid van jeugdcriminaliteit.
In de praktijk wordt namelijk zelden één enkele interventie uitgevoerd en verschilt de situatie voortdurend. Professionals van bijvoorbeeld gemeenten, politie, jongerenwerk, scholen en zorgorganisaties werken samen in brede aanpakken. En dan wordt steeds afgewogen welke combinatie van werkwijzen het meest passend is, afhankelijk van de jongere in diens omgeving. Om hier goed op in te spelen is een brede kijk nodig op wat werkt, hoe en waarom het werkt, voor welke jongere het werkt en in welke combinatie. Juist deze kennis sluit goed aan bij de praktijk en helpt om de aanpak van jeugdcriminaliteit te versterken.
Hoe dan wel?
In de Zembla-documentaire wordt de wildgroei aan initiatieven terecht bekritiseerd. Tegelijkertijd verdient ook de wetenschap zelf kritische reflectie. Het aantal bewezen effectieve interventies is beperkt en de impact is vaak bescheiden. We moeten ons daarom afvragen of de huidige manier van kennis ontwikkelen voldoende aansluit op de realiteit van jeugdcriminaliteit.
Een brede kijk op evalueren is vereist. Interventies moeten niet alleen worden bestudeerd als afzonderlijke, afgebakende stappen, maar ook in samenhang met andere interventies, de wijze waarop zij worden ingezet, de samenwerking tussen organisaties en het relationele werk dat professionals met jongeren verrichten.
Het is nodig om de afstand tussen onderzoek enerzijds en praktijk en besluitvorming anderzijds te verkleinen. Juist daar zitten vaak verschillende denkwerelden, logica’s, belangen en loyaliteiten. En die verschillen maken dat onderzoek niet automatisch goed aansluit bij de praktijk.
Dit vraagt om een manier van werken waarin onderzoekers, professionals en overige betrokkenen samen optrekken, leren wat (niet) werkt en hun aanpak daarop aanpassen, gestuurd door onderzoek. Op deze manier kunnen we werken aan preventie die niet alleen goed bedoeld is, maar ook aansluit op de uitdagende praktijk. Dat zijn we de jongeren om wie het gaat en de samenleving verplicht.
Roy Krijger, promovendus Lectoraat Verslavingskunde & Forensische Zorg, Hanzehogeschool Groningen Dr. Simon Venema, onderzoeker Lectoraat Verslavingskunde & Forensische Zorg, Hanzehogeschool Groningen