Mensen legden massaal knuffels neer bij het huis waar het 6-jarige meisje in Stadskanaal woonde. Foto: Venema Media
Drenthe wil de jeugdzorg flink hervormen. Minder dure specialistische hulp, minder versnippering en sneller ondersteuning dichtbij huis. Maar hoe dat precies moet gebeuren, blijft opvallend onduidelijk.
De analyse in de Regiovisie gespecialiseerde jeugdhulp 2026-2030 is herkenbaar: de jeugdzorg loopt vast. Wachttijden zijn lang, de kosten stijgen en kinderen krijgen niet altijd de hulp die ze nodig hebben. Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor die zorg, met als resultaat een versnipperd landschap met ontzettend veel aanbieders en weinig samenhang.
Scholen en huisartsen
Drenthe wil daarvan af. In de Regiovisie gespecialiseerde jeugdhulp 2026-2030, waarin de gemeenten hun beleid voor de komende jaren uitstippelen, kiezen de Drentse gemeenten nadrukkelijk voor minder doorverwijzingen naar zware zorg en meer hulp dichtbij het gezin. Problemen moeten eerder worden aangepakt, bijvoorbeeld via scholen, huisartsen of wijkteams.
De gedachte daarachter is eenvoudig: als je sneller ingrijpt, voorkom je dat problemen verergeren en uiteindelijk leiden tot dure, specialistische trajecten.
Dat idee is niet nieuw. De plannen sluiten deels aan bij ervaringen in bijvoorbeeld Veendam, waar het aantal zorgaanbieders ook sterk groeide en de regie verloren ging. Daar werd geprobeerd de zorg weer te bundelen en sneller toegankelijk te maken.
Ook Drenthe wil nu meer samenhang en samenwerking. Hulp wordt ‘zo dichtbij mogelijk’ georganiseerd en het systeem moet zich aanpassen aan het kind, niet andersom.
Concrete afspraken ontbreken
Maar juist bij de uitvoering wringt het.
Op papier klinkt het stevig: minder zware zorg, en minder uithuisplaatsingen. Maar de visie blijft op veel punten abstract.
Zo wordt gezegd dat scholen, huisartsen en lokale teams een grotere rol krijgen. Hoe die samenwerking eruitziet, wie verantwoordelijk is en hoe dat in de praktijk geregeld wordt, blijft onduidelijk. De visie spreekt over ‘samenwerking’ en ‘verbinding’, maar concrete afspraken ontbreken.
Hetzelfde geldt voor het stoppen met zorg die niet werkt. De regio wil ‘ineffectieve interventies’ afbouwen, maar noemt nergens welke hulp dat dan is of wanneer iets als ineffectief wordt beschouwd.
Puinhoop bij Jeugdbescherming Noord
Zelfs bij een van de grootste problemen – wachttijden – blijft het bij algemene afspraken over monitoring en samenwerking, zonder harde normen of deadlines.
Een belangrijk uitgangspunt in de Drentse plannen is dat gemeenten, verwijzers en zorgaanbieders samen bepalen wat nodig is. Dat klinkt logisch, maar maakt de uitvoering tegelijk kwetsbaar.
Opvallend is wat níet hard wordt benoemd. De regiovisie erkent dat kinderen nu soms tussen wal en schip vallen, dat casussen onvoldoende worden aangestuurd en dat de samenwerking tussen partijen stroef verloopt.
Wel factureren, niet leveren
Maar een expliciete analyse van de problemen bij de jeugdbeschermingsorganisaties zelf ontbreekt. Terwijl juist daar de situatie nijpend is in Drenthe. Zo staat Jeugdbescherming Noord, verantwoordelijk voor zo’n duizend gezinnen in Drenthe en Groningen, al geruime tijd onder verscherpt toezicht van inspecties. Ook rechters zijn keihard in hun oordeel.
In recente uitspraken wordt de organisatie stevig bekritiseerd: jongeren die op ongeschikte plekken belanden, een meisje dat volgens de rechtbank ‘aan haar lot is overgelaten’ en geld dat wel wordt uitgekeerd voor toezicht en hulp, maar waar nauwelijks iets tegenover staat.
Dat er een tekort is aan personeel, erkent de rechter – maar het geldt nadrukkelijk niet als excuus.
Mist van woorden
In de Drentse plannen verdwijnen dit soort harde signalen naar de achtergrond en worden ze verpakt als algemene systeemproblemen van ‘samenwerking’ en ‘regie’. Daarmee wordt de pijn wel benoemd, maar de oorzaken en verantwoordelijkheden verdwijnen in een mist van woorden.
De regiovisie erkent wel dat samenwerking nu al moeizaam verloopt en dat partijen verschillende belangen hebben. Toch wordt juist die samenwerking gezien als oplossing.
Het gevolg is een model waarin veel verantwoordelijkheid laag in het systeem ligt. Gemeenten houden ruimte voor eigen invulling, aanbieders moeten zelf meebewegen en professionals moeten samen bepalen wat werkt.
De regiovisie laat zien dat Drenthe de problemen scherp ziet. De analyse klopt en de richting – minder zware zorg, meer ondersteuning dichtbij – wordt breed gedeeld.
Maar waar gemeenten als Veendam kozen voor duidelijke keuzes en een ingrijpende reorganisatie, kiest Drenthe voor een geleidelijke koers met veel ruimte voor lokale invulling. Of ouders en kinderen met dit plan verbetering gaan merken, is gezien de in het verleden behaalde resultaten, zeer de vraag.
De komende tijd nemen de gemeenteraden in Drenthe een besluit over de plannen. In ‘uitvoeringsagenda’s’ moet de visie dan verder geconcretiseerd worden.