Lamert Kieft döt verslag van de gebeurtenissen in zien woonplaots, argens in Zuudwest-Drenthe. Beeld: Coen Berkhout | Midjourney
De oude opperwachtmeester Jalving van de plaatsenlijke politie heeft ongelukkig genoeg diens leesbril vallen gelaten en er ook nog op gaan staan is, welke hem het linker glas gekost heeft alhier.
„Krak!”, aldus het linker brillenglas, „krrrrrrak!”, welke tot grote onvrede leidde bij de opper Jalving. „Wat is mij dit gloeiende glunige garriet weer veur ’n stel”, aldus de opper, „wat weer ’n bende”, temeer daar hij zag dat ook de rechter stang kats gebroken was der bril. En hij dat er óók nog wel even bij kon hebben.
Dit beklemde de opper Jalving des te meer daar het hier een zeer oud en onvervangbaar familiestuk betrof. „Mien opa hef hum doedertied nog an eschaft”, aldus de opper later die dag aan de kastelein Jans-Maria van het café De Eveltas alhier, waar hij even opgestoken had daar hem wel een verversing lustte.
Nei montuur
„Toen opa uut de tied kwam hef mien va zien brille arfd en die hef er twei neie glazen in zetten laoten”, vervolgde hij, „en zelf heb ik der later een nei montuur um hen ekocht. Ja, en toen was ’t iniens krrrak; doei brille! Zo koom ie gloeiende garriet dus van ’n arfstuk òf”, en heeft de opper Jalving nog een moment in overweging gestaan ook het tweede glas dan maar kapot te stampen van de bril, want als het dan zo moest, dan hoefde het voor hem niet meer.
Doch inziende dat hem de leesbrillen niet op de rug groeiden en niet één doch twee nieuwe glazen hem een vermogen kosten zouden plus twee nieuwe stangen, heeft de opper hier noodgedwongen van afzien gemoeten. En dan maar voorlopig gewoon door te doen met de kapotte bril.
Klaorlochtige dag
Terug patroellierend heen het politiebureau overviel de opper Jalving een nare doch verontrustende gedachte: zoude hij met maar één glas in de leesbril plus maar één stang, nog wel in staat zijn een bekeurink uit te schrijven? Zo niet, dan zoude hem dat vanzelf een hoop nawerk schelen, doch gelukkig won diens plichtsbesef het van de opper, zodat hij besloot de proef op de som te nemen. Aldoende hield de opper Jalving thans een willekeurige fietser staande, welke zonder licht reed.
„Zo!”, gromde hij, ,,ik zie daj weer zunder locht vaart. Gloeiende garriet vent, waor hej oen verstaand. Mut der ammit eerst weer dooien vallen? Huh?”, tot verbazing der fietser in kwestie. „Hoezo”, aldus deze, „’t is klaorlochtige dag heur, dan huuft de fietseverlamping niet an”, doch geviel dit bijzonder slecht bij de opper Jalving. „Dat bepale wij wel”, gromde hij, „ie hebt oe gloeiende garriet niet te bemuien mit ’t wark van de plietsie, hold der goed rekenschup mit. Ik gao oe opschrieven vaderman, ie bint goed de lul. Hoe hej de name?”
De helft
Doch jammer genoeg moest de opper al snel vaststellen dat werken met maar één glas in de bril plus dito stang geen doen was, daar de bril hem algedurig van het hoofd te glijden dreigde tijdens het opschrijven, en hij ook maar de helft zag. „Eh…, commissaris”, aldus de fietsdeliekwint welk dit niet ontgaan was, „zal ik oe de brille vastholden aj an ’t schrieven bint? Veur strafvermindering?”, doch reeds wist de opper Jalving genoeg: brillenproef mislukt, zodat hij diens bonnenboek dichtsloeg.
„Dit maol laot ik oe lopen”, aldus hij, „mar ik waorskou oe kammeraod: bij herhaling kriej gloeiende garriet ’n dubbele prent, hold der goed rekenschup mit”, en de man in kwestie zo gestreng aankeek door maar één brillenglas, dat deze er rap vandoor ging. Te vrezen valt nu dat deze leesbril voor de opper Jalving nog wel een staartje krijgen zal…