Lamert Kieft döt verslag van de gebeurtenissen in zien woonplaots, argens in Zuudwest-Drenthe. Beeld: Coen Berkhout | Midjourney
(Waarschuwink vooraf: deze afl. bevat inhoud welke als ongepast uitgelegen worden kan, zodat deze geheel voor eigen verantwoordelijkheid komt, dhr. LK).
Onder de weinige polities van de oude stempel in Drenthe heeft een geheimzinnige doch bacteroliogische virus toegeslagen. Namenlijk dat zij tijdens het aanhouden en opschrijven van verkeersdeliewinten en ander rapallie een schier heftige doch ondragenlijke jeuk ervaart aan hun gentialianen, eh….genilatianen eh….ook niet, eh korte jannen. Ofwel kruile, ruipe en pijle in het Nederlandsch (krule, roepe en piele in het Drentsch).
Onder de slachtoffers bevindt zich ook de oude opperwachtmeester Jalving van de plaatsenlijke politie alhier, wiens tragische doch aangrijpende relaas genoeg zegt.
Bonnenboekie en potlood
„Ik heul lestdaags een voetgaanger an, een olde vent op ’t zebrapad”, aldus de opper Jalving bij ons op de biljartclub van het café De Eveltas, „ik zegge: zo vaderman, dat zag ik nou ies net: ie gaven een auto gien veurrang! Gloeiende garriet vent, hoe duurj ‘t te waogen. Zegt die gaorenklöpper: ‘Commissaris, op ’t zebrapad hef een voetgaanger altied veurrang heur’, dat ik zegge: ‘Ie hebt mij gloeiende garriet de bek veuls te groot, kammeraod. Ik was der drekt al bang veur, dat ik gao oe opschrieven, al gef dat seins weer niks aans as naowark en ellende.”
Afijn, ik pakke mien bonnenboekie en potlood, ik zegge: hoe hej de name en rappies -en toen iniens jongs: toen kreeg ik mij daor gloeiende garriet toch een jokkerije an körte jan, ja hiel verschrikkelijk heur, of der mij een leger loezen deur ’t kruus marcheerde, ik musse van ellende mit beide haanden krabben, dat ’t bonnenboek viel op de grond en die olde deliekwint gung der mij vanzelf as de hazen van deur. Twei dagen later had ik precies ‘t zelfde, dat ’k hebbe der toch mar even melding van emaakt bij ’t korps”, aldus de opper Jalving. Welke na een kleine verversink wijder voer.
Strets en hoge warkdrök
„Wat bleek nou?”, aldus hij, „ik was lange niet de ienigste, ok praktisch alle mannelijke collega-opperwachtmeisters van de olde stempel hadden dezelfde klachten. Volgens de korpsarts gung het hier um een mutatie van het virus crux politieïinsis, grootkaans veroorzaakt deur strets en hoge warkdrök; ik had ’t gloeiende glunige garriet drekt al wel edacht. In aandere rangen kump het virus praktisch niet veur, de commissaris zelf hef bieveurbeeld nog gien last, mar wel is der al een enkele Hoofdinspecteur (z.g.a.n. Hip, LK), die zegt ok al wat jokkerije aan körte jan te hebben. Hoewel dat gloeiende garriet wat apart is, want wat veur strets en warkdrök hebt die lui van kantoor nou?”, aldus de opper.
‘Ongewenste imitatie’
„Jalving, ie zult oe wel waren um nog een vrouwgie an te holden”, meende Ibrahiem de Afrikaanse vluchteling, „aj dan ok krabben mut, dan hej zó een gevallegie van ongewenste imitatie an de broek en dan binj goed de lul, of niet dan.”
Zo ziet men maar weer dat deze jeuktragedie div. lagen kent… Wat de opper Jalving des te meer beknelt, is dat hij nog altijd vijfschachten politiebroeken der oude stempel draagt, van onverslijtbare doch zeer stugge stof, wat hem een effectief krabben tijdens een aanval van crux politieïinsis zeer belemmert. „Ik krabbe mij gloeiende garriet de vingers blauw”, aldus de opper, „ik kome der praktisch niet deurhen, ‘k hebbe zowat al gien nagels meer aover umme mij de konte te krabben.”
Hoezo weigert de opper Jalving dan resoluut nieuwmootse politiebroeken te dragen van lichte stof? „Aj ’n maol flink an de wiend bint, hangt zun flodderboksie oe gloeiende garriet seins drekt in flarden van ’t gat”, aldus de opper, „nee, daankewel heur.” Overigens moet hij voorlopig alle dagen met koude compressies de jeukerij preventief te beteugelen zien.