(vlnr) David Stern (vader), Betje Stern en Saartje Gottfriedt (moeder). Bron: stichting Harm Tiesing
De nagedachtenis aan de Joodse slachtoffers van de Shoah wordt in Borger aangevuld met rits namen. Voor hun vroegere woningen aan de Hunebedstraat eren ‘struikelstenen’ sinds vrijdag 24 oktober de vermoorde burenfamilies Dalsheim en Stern. Eén naam ontbreekt: Betje Stern. Als enige van zeven broers en zussen overleefde zij de oorlog. Ze werd 95.
I
1987, Arnhem. Een 83-jarige vrouw zit in haar kamer te borduren. Het is een sober ingerichte kamer, vooraan links in de gang van het Joodse bejaardenhuis Beth Zikna.
De borduurster is Betje Stern, een grote vrouw met dikke brillenglazen, grijs haar, eenvoudige kleding en een zachte stem. Elke dag na de lunch maakt ze een wandelingetje rondom het gebouw, en doet daarna een middagdutje. Ze eet mee met de gezamenlijke koosjere driegangenmaaltijden en de Joodse vieringen: de sabbat op vrijdag en feestdagen als Jom Kipoer en Pesach. Ze blijft altijd op de achtergrond. Eigenlijk hoort niemand haar. Betje Stern is bescheiden, in zichzelf gekeerd.
Het Joodse huis Beth Zikna zit op de eerste verdieping van het gebouw, het katholieke bejaardenhuis Huize Kohlmann op de drie verdiepingen daarboven. De Joodse afdeling heeft twintig bewoners en zo’n vijftien personeelsleden. Wie op de afdeling wil komen moet glazen deuren passeren. Bij eventuele dreiging kan de doorgang vanaf de receptie beneden op slot worden gedaan. Dat geeft een veilig gevoel.
Beth Zikna is een kleine, hechte gemeenschap. Het is er gemoedelijk, fijn. Maar ieder jaar wanneer de maand mei nadert, trekt er spanning over de afdeling. De sfeer verandert. Niemand praat erover.
Bij het wassen en aankleden van sommige bewoners zien de personeelsleden wel de tatoeages waarmee de nazi’s de gevangenen in de concentratiekampen brandmerkten, en ze weten ook allemaal wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Maar niemand zegt iets.
Iedereen heeft het in de meimaand moeilijk, heeft verdriet, maar ze uiten het allemaal anders. Er is een mevrouw die haar levensverhaal had opgeschreven – maar daar praat je alleen over als zij er zelf over begint. En een andere bewoonster kan zomaar heftige emoties krijgen, schreeuwen. Het personeel weet dat zij een oorlogstrauma heeft.
Bij Betje Stern merkt de verpleging eigenlijk niet zo veel. Ze is altijd even vriendelijk, lief, meegaand, ze klaagt nooit. Al zien de verpleegsters wel dat ze alleen is, eenzaam. En dat ze binnen de geborgenheid van de muren blijft.
Niemand weet echt wat er zich afspeelt in het hoofd van de stille Betje Stern. Niemand weet dat zij als enige van haar grote gezin de Shoah heeft overleefd, en alleen verder moest
Betje Stern wordt geboren op 28 februari 1904 in Borger. Haar vader David Stern en moeder Saartje Gottfried wonen aan de Hunebedstraat 14, ze runden hier aanvankelijk een pottenwinkel, later een slagerij. Het gezin bestaat uit twaalf kinderen, van wie vijf al op jonge leeftijd waren overleden. De kinderen Emanuel, Maurits en Frouwkje (Frouk) wonen in Borger en helpen mee in de winkel wanneer de oorlog uitbreekt. Betje werkt dan als verpleegster in Amsterdam.
Naast het gezin Stern woont op nummer 16 het gezin Dalsheim. De gezinnen zijn familie van elkaar. Davids nicht Vrouwkje Dalsheim-Stern is getrouwd met veehandelaar Filippus Dalsheim. Het echtpaar heeft vier kinderen: Lina Jacoba (Lina, 1923), Jacoba (Coba, 1924), Herman (1927) en Berthold (1929).
Stamboom van Betje Stern en haar nicht Lina Dalsheim. Infographic: Rob Hesseling
Lina en Coba Dalsheim zijn de hartsvriendinnen van Greet van Dijk. Ze zijn altijd met z’n drietjes. Coba zit bij Greet in de klas op de lagere school, Lina zit een jaar hoger. Ze doen eigenlijk alles samen. Na school samen fietsen, avondwandelingetjes maken door Borger, samen op gymnastiek. Lina lijkt op haar vader – een beetje trots. Coba is net haar moeder. Goedig, lief.
Iedereen komt bij elkaar over de vloer. Slagerskinderen Maurits (Mautje of Mauw genoemd) en Frouk Stern drinken koffie bij Greets moeder, waarna zij haar bestelling plaatst. Met Pesach krijgen de buren ook wat matzes. En de gewoonte om wat suiker over de sperziebonen te doen – dan wordt de smaak sterker – zou Greet overnemen van Lina en Coba.
Na hun schooltijd volgt Lina de opleiding tot verpleegster. Coba wordt verliefd en verlooft zich met Simon in Amsterdam, waar ze veel te vinden is. Greet blijft bij haar moeder in Borger. Ze blijven altijd contact houden. Ook wanneer contact met Joodse inwoners wordt verboden door de Duitse bezetter laat Greet zich niet tegenhouden.
III
Op 2 januari 1942 begint de 18-jarige Lina als leerling-verpleegster in het Apeldoornsche Bosch, een Joodse psychiatrische instelling in Apeldoorn. Lina en Greet schrijven elkaar veel brieven. Greet stopt pakjes in schoenendozen. Appels, bonnetjes, pepermuntjes, alles wat Greet kan krijgen stuurt ze op. Greet heeft de brieven uit de oorlog van haar vriendin al die tijd bewaard.
‘Ik heb gisteren een pakje van thuis gekregen en wel met twee nieuwe jurken. Een prachtige lichtblauwe zijen en een nachtblauwe met een wit kringetje’, schrijft Lina aan Greet in een brief van 19 januari 1942. ‘Hoe staat het leven in Borger? Bij mij gaat het goed hoor. Zondagmiddag zijn we met vier jongens en vier meisjes de bossen in geweest. Een had een banjo bij zich. We hebben het echt gezellig gehad.’
(vlnr) Mau Stern (broer van Betje), Coba Dalsheim, Greet van Dijk, Philippus Dalsheim (vader van Coba en Lina). Foto: collectie Greet van Dijk
Lina Dalsheim vertelt over de meidenroddels over de jongens, over kliederen in de keuken tijdens nachtdiensten, over muziekavonden.
Maar ook over de nare dingen. ‘Hier heerst tegenwoordig een rotstemming, oppakkerij, erg leuk he’, schrijft Lina in een brief van 8 juli 1942. Ze vertelt dat ze boodschappen gaat doen in het dorp, want ze heeft nog een brood- en snoepbon. En ze zou dan ook een foto laten maken, want dat mag nu nog.
29 september 1942. ‘Een vriendin van me is pas naar Amsterdam geweest, verschrikkelijk zeg, het is daar gewoonweg een hel, om daar in te moeten leven, geen wonder dat we de laatste tijd zoveel nieuwe patiënten krijgen, als je ze hoort ’s nachts, meer dan bar, en dat alleen van die nare toestanden. Mijn uitzet voor Polen is al kant en klaar, het is te hopen, dat ik er het volgend jaar mee kan kamperen’, schrijft Lina cynisch.
IV
Amsterdam, september 1942. Gewoonweg een hel, schrijft Lina. Daar woont en werkt haar 38-jarige nicht Betje Stern.
Ook Betje is begonnen als verpleegster in Apeldoornsche Bosch. Ze vertrekt 20 jaar eerder, in 1921, vanuit Borger naar Apeldoorn. In 1930 verruilt ze Apeldoorn voor een baan in het Oude Mannen- en Vrouwenhuis in Amsterdam. Vanaf 1 december 1938 is ze hoofdverpleegster bij het Nederlandsch-Israëlitisch Ziekenhuis (NIZ).
In 1942 begint de paniek in Amsterdam echt toe te slaan. De oproepen voor ‘tewerkstelling’ vanaf de zomer en het ‘s avonds ophalen van Joodse mensen vergroten de zorgen. Er heerst angst, onzekerheid. Niemand weet precies wat er daar in het oosten gebeurt en niemand hoeft het met eigen ogen te zien.
Omdat het de Duitsers in het begin van de deportaties nog om werkenden gaat, zo zeggen ze, hoeven de zieke en oude mensen niet mee. Dat zou immers niet geloofwaardig zijn. Als gevolg kregen de Joodse ziekenhuizen al snel de reputatie ‘veilig’. De Joodsche Invalide, een Joods bejaardenhuis in Amsterdam, krijgt een flinke toestroom aan mensen te verwerken. Velen bieden zich als personeel aan, gratis of zelfs met bijbetaling. Alles om maar binnen ‘de veilige muren’ te zijn. Ook op de adresgegevens van Betje Stern staat Weesperplein 1, het adres van de Joodsche Invalide.
V
Borger, 2 oktober 1942. Er is al geen ontkomen meer aan. De gezinnen Dalsheim en Stern worden opgepakt en weggevoerd. Overbuurmeisje Jantje Warring ziet het gebeuren. Ze worden ‘s avonds een voor een weggehaald. Jantje ziet hoe ze de deur uitlopen.
Een paar dagen later, op 6 oktober 1942, stuurt Lina vanuit Apeldoornsche Bosch weer een brief aan Greet. ‘Je weet natuurlijk al dat mam, Coba, Herman en Bé vrijdagnacht naar Westerbork zijn vertrokken. Zaterdag en zondag ben ik vrij geweest, toen ik dan zaterdag om 1 uur aan tafel ging, hoorde ik dat ze op een beestachtige wijze aan het oppikken waren geweest. Direct heb ik een telegram weggestuurd, om 7 uur ’s avonds kreeg ik bericht van het postkantoor in Apeldoorn dat ze vrijdagnacht waren vertrokken. Wat kon ik doen, niets, je staat helemaal machteloos’, schrijft ze.
‘Zondagmorgen kreeg ik nog een briefkaart van Coba, dat ze ’s nachts naar Westerbork waren vertrokken. Maandagmorgen kreeg ik nog een briefkaart van pap dat ook hij naar W. was. Ja, dan is het maar beter dat ze samen zijn. Ik vind het ook heel erg voor oom David (Stern, red.), zo’n oude man. Het zal me eens benieuwen of ze ook naar Duitsland of Polen doorgestuurd worden. Post heb ik nog niet van ze gehad.’
‘Ja, nu ben ik alleen en natuurlijk kom ik nu niet weer in Borger zolang er oorlog is. Jammer he, misschien is het ook wel goed, want dan zie je steeds het huis en al die herinneringen, daar ga je toch maar kapot van. Dit is geen opgewekte brief he, ik kan nog niet hoor, later misschien wel.’ Lina heeft veel vragen. Wat is er met hun huis gebeurd, met hun spullen?
VI
13 oktober 1942. Een deel van de medewerkers moet van Apeldoorn naar Amsterdam voor een stempel op hun persoonsbewijs, waarmee ze voorlopig worden vrijgesteld van deportatie. ‘Vader schreef nog in zijn laatste briefkaart dat ik in elk geval in het Apeldoornsche Bosch moest blijven, wat er ook gebeuren mocht’, schrijft Lina.
Ook Betje Stern uit Amsterdam heeft een gesperrt-stempel van de Joodsche Raad gekregen, vanwege haar functie als verpleegster. Alle personeelsleden moeten koste wat kost aan de veilige instellingen verbonden blijven. Nadat in september 1942 enkele uitwonende personeelsleden van de Joodsche Invalide toch werden gedeporteerd, maakt toenmalig geneesheer-directeur Buzaglo zich sterk voor Sperren van de rest van het personeel.
Voorlopig is Betje veilig.
De persoonskaart van Betje Stern. Bron: Oorlogsbronnen
VII
25 oktober 1942. Lina vraagt Greet weer naar nieuwtjes uit Borger, want daar geniet ze van. ‘Als de oorlog gauw afgelopen is, en al komen mijn ouders niet terug, je kunt toch niet weten, dan kom ik, als ik er tenminste nog ben, geregeld in Borger hoor, wees maar niet bang.’
Lina weet niet dat haar broertje Berthold en haar moeder er dan al niet meer zijn. Zij zijn 10 dagen eerder overleden.
Op 16 november 1942 stuurt Lina Greet weer een brief. Ze feliciteert haar vriendin met haar verjaardag, die is de 19de. ‘Elk ogenblik vrezen we het ergste, maar tot nu toe is alles weer goed. En we zullen dan het beste maar weer hopen’, schrijft ze. Ze zou in het dorp een cadeautje voor Greet kopen. ‘Ga je nog geregeld naar gym? Wij niet meer, onze leider zit alweer een maand in Westerbork, net hoor ik dat hij door is.’
Lina bedankt Greet voor het sturen van appels, waar Lina in een vorige brief om heeft gevraagd. ‘Ik ben er zuinig op, ze smaken echt Borgers en dus fijn.’
‘Wonen er al mensen in ons huis?’
VIII
18 november 1942. ‘Oh, het is hier weer verschrikkelijk. Elke morgen sta je op en dan denk je weer, we zijn er nog. Nu zijn in Gelderland alle Joden, die niet gesperrt zijn gisteravond opgehaald, wij in het Bosch zijn allemaal gesperrt, maar ook wij krijgen een beurt hoor.’
Maar ook wij krijgen een beurt. Betje Stern in Amsterdam zal dat misschien ook wel geweten hebben.
‘Ja meisje’, schrijft Lina aan Greet op 18 november 1942, ‘kon ik maar met je verjaardag overwippen, ik verlang heel vaak naar Borger, wat was het daar toch altijd mieters joh. Bericht van mijn ouders heb ik helemaal nog niet gehad, dat is verschrikkelijk hoor, steeds kijk ik uit naar de post, maar altijd vergeefs hoor. Van Geert Warring, dus tegenover ons, heb ik tegelijk met die van jou een fijne brief gehad, daar kikker je weer echt van op hoor.’
December 1942 breekt aan, en Lina heeft goed nieuws gekregen. Simon heeft via de Joodse Raad post van Coba gehad. In Amsterdam zijn dan maar negentig brieven vanuit Polen overgekomen, schrijft ze. Ze voegt de tekst van de briefkaart toe aan Greet, samen met het adres van Coba.
Lieve Simon,
Ik ben in een kamp in Opper-Silezië. Ik ben gezond. Het eten is goed en uitgebreid. Het onderkomen is uitstekend. Er is hier veel werk. Men zoekt speciaal arbeiders op elk gebied. In het voorjaar wordt met de opbouw begonnen. Schrijf ook eens gauw. Wees gegroet en gekust van je Coba D.
Het is niet waar. Coba zou het voorjaar nooit meer zien. Ze overlijdt op 31 december. Lina weet het niet.
Coba en Greet. Foto: collectie Greet van Dijk
‘Staat ons huis er nog net zo of hebben ze de meubels misschien al verkocht. Doe me een plezier, Greet en schrijf me de waarheid, ik kan er best tegen.’
In maart of april zou Lina examen van haar opleiding moeten doen, schrijft ze verder. Maar leren gaat niet. Ze is gespannen, bang.
IX
’s Ochtends vroeg, op vrijdag 22 januari 1943, stoppen de Duitsers alle patiënten uit het Apeldoornsche Bosch in goederentreinen. Er moeten vijftig personeelsleden mee. 1300 mensen komen 24 januari aan in Auschwitz. Niemand keert terug.
De ongeveer honderd achtergebleven personeelsleden gaan op 25 januari op transport naar Westerbork, samen met overgebleven Joodse inwoners uit Apeldoorn. Ook de 19-jarige Lina. Ze wordt aan het werk gezet in barak H, het ziekenhuis.
In Amsterdam horen ze wat er was gebeurd. In januari het Apeldoornsche Bosch, in februari het Rotterdamse Joodse ziekenhuis. Dus de Joodsche Invalide zou de volgende wel zijn. En dat gebeurt inderdaad: in maart 1943.
Een briefkaart van Lina uit Westerbork. Bron: Stichting Harm Tiesing
Nichtjes Betje en Lina, beide verpleegsters, stonden voor hetzelfde dilemma. Op je post blijven of vluchten. Tot het allerlaatste moment bij je patiënten blijven of onderduiken. Lina treft het eerste. Betje kiest ternauwernood voor het tweede.
Eind februari 1943 gaat het gerucht dat het gebouw van de Joodsche Invalide op 1 maart wordt leeggehaald. Verplegend personeel zoekt koortsachtig een adres om onder te duiken. Verpleegden zijn doorgaans te slecht ter been om te kunnen vluchten.
De 39-jarige Betje Stern duikt onder in Almelo. Daar zit ze in 1944, samen met het Joods-Amsterdamse meisje Rasje (Rachel) Spitz van 5 jaar, bij de familie Van Dooren aan de Deldensestraat.
Daar zit ze veilig, voor even.
X
24 mei 1943.
‘Lieve Greet, eindelijk eens een brief. Hoe gaat het met je meid. Ik heb in een lange tijd niets van je gehoord. Dus Greet als je zin hebt, schrijf dan eens een lange brief terug. Met mij gaat het goed. Ik werk erg prettig. Typisch he. Ondanks de hele rotzooi is het fijn om mensen te hebben. We hebben het erg druk, dat begrijp je. Soms ben ik ook doodop hoor. Maar enfin daar komen we overheen.’ Lina vraagt hoe het met Greets familie gaat. Dat vraagt ze altijd. ‘Jullie gaan niet meer naar gymnastiek he.’
‘Ik denk wel, dat ik hier nog een poosje kan blijven, want ze zijn wel tevreden over mij: ik ben blokhoofd over vijftig mensen en doe alle bijzonderheden, maak met de dokter visite en geef injecties. Dus Greet, ik ben zo meisje af hoor.’
‘Het eten gaat hier wel hoor, het zal bij jullie ook wel niet zo leuk zijn, en het wordt steeds moeilijker. Van Mauw Stern heb ik voor een maand een kaart gehad. Hij is in Jachowischo, en werkt in de kolenmijnen, het eten is goed. Meer schrijft hij ook niet. Toch fijn he om iets te horen, dus weer een levensteken. Van Coba heb ik, zoals je weet eenmaal iets gehoord, van de verdere familie niets.’
Lina’s vader en broertje Herman zijn een maand eerder overleden, op 28 februari 1943.
Lina Dalsheim. Ze droeg een groene kralenketting, weet vriendin Greet van Dijk nog. Bron: Stichting Harm Tiesing
‘Ook tante Sientje is hier geweest, ook zij is al lang weg. Ja kind, het leven is wel erg moeilijk maar toch moeten we erdoor. Vijf meisjes van ’t AB (Apeldoornsche Bosch, red.) en ik komen in een klein kamertje, mieters joh, waar je al niet tevreden mee bent he, denk maar aan een vies stookhok, dan weet je het wel. We zullen maar zeggen, tot kijk Greet en een zoen van Lina.’
Wanneer Lina op het punt staat te vertrekken naar het oosten, krijgt Greet nog een briefkaart. Ze zou een takje Drentse heide meenemen.
Daarna blijft het voor altijd stil.
XI
Januari 1945. Als medio juli 1944 verzetsmensen in Almelo worden opgepakt en onderduikers naar elders worden verplaatst, trekt Betje Stern naar Leuvenheim. In januari 1945 besluit ze niettemin terug te gaan naar Almelo.
Zo'n reis is ontzettend gevaarlijk. Betje en Rasje lukt het niet. Ze worden opgepakt en in de gevangenis in Almelo opgesloten. Op 11 januari 1945 komt Betje aan in kamp Westerbork vanuit de Polizeigefängnis in Almelo. Ze wordt in barak 12 geplaatst.
Het is januari 1945. Er rijden al geen treinen meer naar het oosten.
Betje zit nog steeds in Westerbork wanneer het kamp in april 1945 wordt bevrijd. Pas op 10 juni 1945 wordt ze officieel ontslagen uit Westerbork. De aanwezige Joodse burgers moeten immers eerst worden doorgelicht voordat ze mogen vertrekken, acht tot tien personen per dag vanaf 27 april. Wanneer Betje weg mag, verhuist ze naar Utrecht.
Daar begint voor Betje Stern het zoeken. Waar zijn haar zussen, broers, vader, nichten, neven, ooms, tantes?
In Borger laaien de verhalen na de bevrijding al snel op. Over de kampen in Midden- en Oost-Europa. Miljoenen zijn vermoord, maar daarvoor worden andere woorden gebruikt. Die en die was weg, die en die was geraakt, die en die was overleden. Lina en Coba komen niet meer terug, weet Greet. Ze moet voortaan alleen naar gymnastiek.
Lina Jacoba Dalsheim overlijdt op 3 september 1943 in Auschwitz. De langstlevende, en dus erflater van haar gezin. Ze was pas 20 jaar oud.
XII
Betje besluit een bericht in de krant te schrijven, op zoek naar haar broer Maurits, die in Jawitschowitz nog een teken van leven had gegeven.
Nw Israelietisch Weekblad, 19 oktober 1945
Inlichtingen gevraagd omtrent Maurits (Maup) Stern, geboren 12/01/1912 te Borger. Is via Westerbork in oktober 1942 naar Jawitschowitz vervoerd, waar hij tot juli 1943 in de kolenmijnen werkzaam was. Inlichtingen aan: Mej. Stern, Aurorastraat 1 Utrecht.
In 1945 stapt Betje ook naar de notaris in Borger, en wordt ze bewindvoerster van haar weggevoerde familie.
Op een zomerdag na de oorlog ziet overbuurmeisje Jantje Warring enkele dames onder een lantaarnpaal staan. Ze kijken naar de huizen, staan er een hele tijd. Jantje weet bijna zeker dat het Betje is, maar ze spreekt de vrouwen niet aan. Ze is te verlegen.
Betje Stern komt onder meer foto’s halen die in het huis lagen. Ze geeft ze aan hartsvriendin Greet van Dijk.
Lina, Greet en Coba. Foto: collectie Greet van Dijk
Betje regelt de erfenissen. Het huis aan Hunebedstraat 14 van David Stern is sinds september 1943 door Jakob Stel Jzn. bewoond. In oktober ‘43 koopt Stel het pand van de Niederländische Grundstück Verwaltung (die moet Joods onroerend goed aan niet-Joodse burgers verkopen). Op 28 juli 1947 wordt die onrechtmatige koop teruggedraaid. Jakob Stel Jzn. koopt het pand alsnog van de erfgenamen van David Stern.
Het huis van Dalsheim wordt vanaf 1942 door de gemeente verhuurd. Huurder Lambertus Eising koopt in juni 1943 de woning van de Algemeen Nederlandsch Beheer voor Roerende en Onroerende goederen (ANBO), namens de Niederländische Grundstück Verwaltung. Op 14 december 1948 wordt ook die transactie hersteld. De koop wordt nietig verklaard en in het kadaster werd Filippus Dalsheim als eigenaar vermeld. Lambertus Eising blijft na 1948 in de woning wonen en betaalt huur aan Betje.
Omdat het gezin Dalsheim lang als vermist geregistreerd staat, blijft hun bezit onder bewind van het Nederlandsch Beheersinstituut staan, met Betje als bewindvoerster. De gemeente Borger ontvangt na de deportatie van de familie Dalsheim de gemeentelijke belastingen eerst van de oorlogskoper en daarna van Betje. Ze blijft in Utrecht wonen, tot ze in 1987 verhuist naar het Joods bejaardenhuis Beth Zikna in Arnhem.
XIII
Arnhem, 1987. Betje Stern zit in haar sober ingerichte kamer, vooraan links in de gang van het huis Beth Zikna. Een veilige haven, waar ze mag zijn wie ze is.
Wanneer haar kleren moeten worden vermaakt staat ze toe dat een moeder van een van de personeelsleden dat komt doen. Nieuwe kleren koopt ze niet. Ze moet zich soms laten overhalen door de verpleegsters om toch een ander setje aan te doen, want de kleding die ze zelf uit de witte linnenkast pakt en op de sprei op het bed klaarlegt, is vaak van alles door elkaar. Nee, erg deftig is Betje Stern niet. En ze stemt doorgaans wel in. Als je aan mevrouw Stern vraagt hoe het gaat, dan gaat het altijd goed.
Niemand kan van haar aflezen wat ze heeft meegemaakt. Ze is bijna onzichtbaar, maar laat toch indruk achter.
Epiloog
Toen Betje Stern in 1992 zwaardere zorg nodig had omdat ze dementerend werd, verhuisde ze naar een verpleeghuis in Amsterdam. Ze overleed hier op 23 mei 1999, op 95-jarige leeftijd. Betje is niet getrouwd geweest en had geen kinderen.
Pas rond 1950 publiceerde de Nederlandse overheid pagina's lange lijsten met namen van vermiste Joodse inwoners en hun (vermoedelijke) overlijdensdata. Hoe Betje Stern zich gevoeld moest hebben of hoe ze alle beslissingen heeft kunnen nemen, weten we niet. Er is van haar geen stapeltje brieven bekend, zoals van Lina.
Joodse inwoners die de Shoah op welke manier dan ook hebben overleefd zijn slachtoffer, maar de mensen die vlak na de oorlog terugkeerden uit de kampen of van onderduikadressen werden lang niet altijd als zodanig behandeld. Het leed werd vaak alleen maar groter. Behalve vrienden, collega’s en familie waren vaak ook alle bezittingen weg. En vrijwel niemand hielp. Pas de jongste jaren doen gemeenten onderzoek naar hun rol in het roven van Joodse bezittingen.
Betje Stern heeft het zelf moeten doen.
Rasje Spitz, met wie Betje in Twente zat ondergedoken, emigreerde na de oorlog met haar ouders naar Israël. Haar familie heeft het overleefd. In Tubantia van 16 april 1966 staat de dan 72-jarige weduwe H. G. Van Dooren-Kamp stralend op de foto met haar zus A. Schotman-Kamp. ‘Tante Riek gaat in Israël haar pleegdochter Rachel opzoeken’, staat erboven. Rasje en Betje hadden bij haar ondergedoken gezeten. ‘Ze vergeten me niet’, staat boven de kop.
Najaar 2025. Dankzij de plaatselijke historische stichting Harm Tiesing krijgen Filippus, Vrouwkje, Lina, Jacoba, Herman en Berthold Dalsheim en David, Emanuel, Frouwkje en Maurits Stern struikelstenen voor hun vroegere huizen aan de Hunebedstraat in Borger. Ook Betje Stern vergeten we niet.
Hoe dit verhaal tot stand kwam
Dit verhaal is geschreven op basis van gesprekken met Greet Kersse-van Dijk (100) uit Rolde, de vriendin van Lina en Coba; Jantje Warring-Bruins (101) uit Borger, het overbuurmeisje; en Ineke Wichhart-Keukens (56) uit Duiven en Clarina van Dreven (58) uit Westervoort, die ongeveer 10 jaar hebben gewerkt bij het Beth Zikna in Arnhem en daar Betje Stern verzorgden.
Verder is voor dit artikel geput uit informatie van André Rosing en Henriette Duinkerken van historische vereniging stichting Harm Tiesing; Gerben Dijkstra en zijn (voorwerk voor) rapport Joods rechtsherstel gemeente Borger-Odoorn; en het Herinneringscentrum kamp Westerbork. Ook de boeken Onvoltooid Verleden Tijd van Coen Cornelissen en De Joodsche Invalide van Hannah van den Ende zijn geraadpleegd, evenals de websites van Oorlogsbronnen, Joods Monument en krantenarchief Delpher.