De voormalige gemeenten Borger en Odoorn hebben tijdens de oorlog geen Joods onroerend goed gekocht en waren niet betrokken bij de verkoop. De beide gemeenten hebben ook geen rol gehad in het rechtmatig herstel hiervan na de Duitse bezetting.
De burgemeesters van de beide voormalige gemeenten waren na deportatie van de Joden wel betrokken bij de verhuur van Joods onroerend goed. De burgemeesters stelden huurcontracten op, maar inden geen huurinkomsten.
Dat blijkt uit onderzoek van historici Gerben Dijkstra en Henk Vos, die in opdracht van de gemeente Borger-Odoorn vanaf 2022 de rol van de gemeenten hebben onderzocht bij de verkoop van huizen van Joodse eigenaren en de afhandeling na de oorlog.
De beide burgemeesters hebben in opdracht van de Duitse bezetter wel de maatregelen tegen Joden uitgevoerd, zoals het opstellen van lijsten met Joodse inwoners. De gemeentebesturen en lokale politieagenten hebben na de deportaties ook een inventarisatie van de huisraad en etenswaren in de woningen van de vermoorde Joodse eigenaren gemaakt.
De etenswaren werden aan de Nederlandsche Volksdienst, afdeling Buinen, aangeboden. Het meubilair is op transport geplaatst naar Assen voor verder transport naar Duitsland, naar getroffenen van bombardementen in Duitse steden.
Meer onderzoeken door gemeenten
Net als veel andere Nederlandse gemeenten wilde Borger-Odoorn weten wat de rol van de gemeente tijdens de oorlog was bij de roof van Joods bezit. Na de oorlog kwam het vaak voor dat Joodse huizen geplunderd werden of zelfs beroofd, met medewerking van de overheid.
Zo bleek dat in de gemeente Aa en Hunze drie Joodse inwoners van Rolde en Gieten waren beroofd van hun woningen. Burgemeester Lohman van Assen vorderde een woning van een Joodse onderduiker die terugkeerde na de bevrijding. En in Hoogeveen verloor burgemeester Tjalma zijn ereburgerschap toen bleek dat hij tijdens de oorlog zelfs meer deed dan waar de Duitsers om vroegen.
Ook Meppel onderzocht haar eigen verleden. Daar bleek dat de gemeente de Duitse bezetter faciliteerde met informatie als daar om werd gevraagd, hoewel Meppel geen directe betrokkenheid had bij roof van Joods vastgoed. Dat blijkt in de voormalige gemeenten Borger en Odoorn dus niet veel anders te zijn geweest.
Ondergedoken
Uit de voormalige gemeente Borger werden 22 Joodse burgers uit vier gezinnen via Westerbork gedeporteerd. Zij woonden in Borger en in Drouwen. Hun woningen, percelen bouwland en hun banktegoeden werden geroofd en hun inboedels werden in beslag genomen door de bezetter.
Alle gedeporteerde Joden uit de gemeente Borger zijn vermoord in Auschwitz en Sobibor. Slechts één Joodse vrouw van de vier gezinnen, Betje Stern (1904), overleefde de oorlog door onder te duiken. Zij was in 1921 uit Borger vertrokken en woonde achtereenvolgens als verpleegkundige in Apeldoorn en Amsterdam.
Na de deportatie van haar familie werd hun woning in 1943 verkocht aan een niet-Joodse man. Hij moest de rechtmatige erfgenamen in 1947 een vergoeding van ongeveer 2000 gulden betalen.
Uit de voormalige gemeente Odoorn werden zes Joden via Westerbork gedeporteerd en in Oost-Europa vermoord. Zes anderen doken onder en hebben de oorlog overleefd. Zij woonden in 2e Exloërmond en Valthermond. De woning van Mozes Dalsheim aan Kavelingen in Valthermond werd in 1943 door een NSB’er gekocht. Die koop werd na de oorlog nietig verklaard. Dalsheim woonde per 1 mei 1945 weer in zijn eigen huis.
NSB-burgemeester en ‘creatieve’ notaris
De burgemeester van Borger, Jan Klazes Doornbos, werd na de oorlog ontslagen. Hij stond te boek als een volgzame bestuurder. In de gemeente Borger zat ook een volgzame notaris, Adolf Grutterink. Hij heeft zeven akten van verkoop van Joods onroerend goed laten passeren.
Odoorn heeft tijdens de oorlog twee burgemeesters gehad. De eerste, Johan van Roijen, werd in 1943 zonder opgaaf van reden ontslagen door de Duitsers. De bezetter ergerde zich aan de april-meistakingen in de gemeente, schrijven Dijkstra en Vos in hun onderzoek. Na zijn ontslag werd NSB-burgemeester Hendrik Roelof Bruininga aangesteld. Hij werd na de oorlog tot een gevangenisstraf van achttien jaar veroordeeld; burgemeester Van Roijen keerde na de bevrijding terug.
In Odoorn was geen volgzame maar juist een ‘creatieve’ notaris werkzaam, valt te lezen in het onderzoek. Otto Wichers heeft geen akten van verkoop van woningen van Joden opgesteld. Wichers zorgde ervoor dat het geld van transacties van de verkoop van Joods goed niet bij de Duitse roofbank terechtkwam, maar bij de Joodse familie bleef.