Opbouwwerker Maria (midden) praat bij met buurvrouwen Corrie (links) en Annie (rechts) in Assen-Oost. Foto: Jaspar Moulijn
Buurtwerk bestaat dit jaar een eeuw. En het begon in Drenthe, waarna het zich verspreidde over heel Nederland. Tegenwoordig zijn er nog maar weinig geschoolde opbouwwerkers. Dat moet anders, vindt de sector. „Voor de problemen van nu is echt opbouwwerk nodig, net als honderd jaar geleden.”
‘Kom je ook koffie of thee drinken? Donderdag van 14:00 tot 16:00 uur bij de speeltuin bij de blauwe flat.’ De uitnodiging op de paars-oranje flyer hebben bewoners van de flat aan de Speenkruidstraat in Assen-Oost eerder in de bus gekregen. Het is deze donderdag, net als altijd, afwachten hoeveel mensen er komen.
Buurtwerker Maria van Bussel parkeert samen met twee collega's de bakfiets met thermoskannen onder een boom. „We hebben nu eerst flyers uitgedeeld, maar we proberen soms ook wel om zonder aankondiging ergens heen te gaan en gesprekjes aan te knopen”, vertelt Maria. Ze heeft de opleiding voor opbouwwerk op de hbo-studie social work afgerond en werkt nu twee jaar in Assen-Oost. Het is een gemengde wijk met flats en rijtjeshuizen, koop- en sociale huurwoningen, en senioren en gezinnen door elkaar. De wijk heeft een handvol buurthuizen – dat is relatief veel.
Maria is al wel eerder bij de blauwe, gele en rode flats geweest. „We proberen een band op te bouwen, dat is erg belangrijk", zegt ze. „We willen mensen aansporen om te doen waar ze goed in zijn. En we willen graag weten wat mensen dan leuk vinden om te doen in de wijk." Dat kan van alles zijn: een speeltuin, dagbesteding voor ouderen, een koffiehoekje.
„Soms wonen buren heel lang naast elkaar zonder elkaar te kennen. Maar als een buurt wat gemoedelijker is, dan vraag je makkelijker hulp", zegt Maria. „Zeker omdat ouderen ook vaker thuis blijven wonen is het mooi dat je iets aan je buren kunt vragen, bijvoorbeeld om eens een boodschapje te doen.” En dus wachten de drie geduldig tot de eerste buren zich op deze hete zomerdag laten zien.
Grote armoede
Dit buurtwerk werd honderd jaar geleden bedacht in Drenthe, toen koningin Wilhelmina tijdens een bezoekje aan onze provincie schrok van de armoe die ze aantrof. In de veengebieden verdiende vrijwel iedereen zijn brood met turfsteken, maar in de jaren 20 kwamen de fossiele brandstoffen in opmars en verdween het gebruik van turf.
Sindsdien steeg de werkloosheid, verslechterde de gezondheid en raakte alcoholmisbruik wijdverspreid. „De mannen gingen naar de kroeg, vaak ging alles wat ze nog hadden op aan jenever. Wilhelmina heeft wel eens gezegd dat ze verbaasd was over de veerkracht van de vrouwen”, weet Bernard Kloostra, adviseur voor groepswerk van de welzijnsorganisatie Tintengroep in Noord-Nederland.
In een poging het tij te keren gaf Wilhelmina in 1917 de Drentse commissaris van de Koningin Linthorst Homan opdracht tot het oprichten van de Centrale Actie Commissie (CAC). De CAC kreeg geld van rijke particulieren, waarna allerlei losse initiatieven ontstonden. „Dit bestond in Nederland nog helemaal niet”, vertelt Kloostra. „Drenthe was de armste provincie, het was nog de tijd van de plaggenhutten. Daarom is destijds hier gekozen voor een heel nieuwe aanpak.”
Eerste Nederlandse buurthuis in Paterswolde
Toen Wilhelmina in 1924 poolshoogte kwam nemen in de Drentse veengebieden, constateerde ze dat die losse clubjes her en der niet opschoten. In 1925 volgde daarom de oprichting van de Centrale Commissie voor den Oeconomischen, Cultureelen Hygiënischen Opbouw van Drenthe, het echte startschot van het buurtwerk. Een jaar later werd de commissie omgedoopt tot Centrale Vereeniging voor den Opbouw van Drenthe, kortweg: Opbouw Drenthe.
Inwoners zochten plekken om bij elkaar te komen. Dat werden de buurthuizen, bedacht door Gesina Bähler-Boerma uit Paterswolde. Zij stichtte hier in 1915 een van de eerste dorpshuizen van Nederland.
Gesina werd in 1874 geboren in Assen en kwam in 1912 met haar echtgenoot in Eelde-Paterswolde wonen. Net als Wilhelmina schrok ook zij van het hoge alcoholmisbruik in haar dorp. Ze had met haar buurthuis een soort maatschappelijk centrum voor ogen, waar iedereen terecht kon. Het draaide vooral om onderwijs en vormingswerk: arme mannen konden hier leren hoe ze in de veeteelt konden werken en vrouwen konden cursussen kleding maken volgen. Eigenlijk werd ze de eerste maatschappelijk werkster van het land.
Het buurthuis van Gesina kreeg grote navolging in Drenthe en ook in de rest van het land. „Liefdadigheid via de kerken met geld- en kledinggiften bestond natuurlijk al wel, maar hier ging het niet om dingen geven: het ging om dingen leren”, zegt Kloostra.
Koffiehoekje in de flat
Terug bij de koffiekar in Assen-Oost komt zeventiger Annie vanuit de flat aangereden op haar scootmobiel. „He he, lekker hoor, even met dat windje in de schaduw.” Ze neemt een kopje koffie aan van Maria. „Ik heb er een zoetje in. Heb je die niet?"
Geen punt: Annie zwaait met een grijns zoetjes uit haar handtas. „Ik heb ook altijd een blikje bij me. Om m’n peukies in weg te gooien.” Buurvrouw Corrie komt erbij zitten op haar rollator. De twee deinzen mee op het intro van Kiss van Prince dat uit de meegebrachte speaker van de buurtwerkers klinkt.
Opbouwwerker Maria van Bussel schenkt koffie in. Foto: Jaspar Moulijn
„Ik ben nu twee of drie keer hier geweest. Ik begin het steeds leuker te vinden”, vertelt Annie, die al jaren met veel plezier in de flat woont. Nieuwe contacten leggen vindt ze niet altijd even makkelijk. „Ik dacht de eerste keer: kom, ik ga gewoon. Ze vreten je niet op.”
Na de zomer begint de bouw van een ontmoetingsruimte op de begane grond van de gele flat. „Hoe staat het ermee?”, informeert Annie bij Maria. „Dat zou straks van de winter wel lekker zijn. 's Winters denk je vaak: waar moet je heen, he? Maar je kunt dan gewoon hier even een bakkie halen, fantastisch.” Corrie knikt. „En geen verplichtingen. Heerlijk is dat.”
Frisse wind
Het idee van een hechte buurt begon in de jaren 50. Toen kreeg Stichting Opbouwwerk Drenthe een nieuwe directrice: Jo Boer. In eerste instantie schrok zij zich ook nog wezenloos van de staat waarin Drenthe verkeerde. „Ze zei: ik kom hier ontwikkelingshulp geven!”, vertelt Bernard Kloostra.
Jo kwam oorspronkelijk uit Zuid-Holland. Voor de oorlog werkte ze al bij Opbouwwerk Drenthe, bij het jeugdwerk. Ze had inspiratie opgedaan tijdens een reis in Amerika en zag het bouwen aan community’s helemaal voor zich. Jo wilde niet meer alleen het ouderwetse vormingswerk, maar inwoners zelf meer laten bepalen wat ze wilden. Bovendien vond ze dat het opbouwwerk niet alleen iets was van vrijwilligers (zoals Gesina was). Het moest echt een vak worden, waarvoor werkers geschoold dienden te zijn. Jo ging de boeken in als grondlegger van het huidige buurtwerk.
Weer op de kaart zetten
Eigenlijk is die wens tot professionalisering nu weer actueel. Op de brede hbo-studie social work kunnen studenten wel kiezen voor de richting van het buurtwerk. „Maar die is niet zo in trek”, constateert Kloostra. Daarbij: „Sinds de jaren 90 kreeg opbouwwerk minder geld en aandacht van de overheid, ook daardoor liep het aantal geschoolde opbouwwerkers terug." Sinds vorig jaar bestaat er wel weer een aparte opleiding samenlevingsopbouw voor professionals en zij-instromers.
Kloostra hoopt dat het opbouwwerk weer wat bekender wordt. „We hebben nu problemen als de aardbevingsproblematiek, armoede, polarisatie, een woningcrisis, energiearmoede en een energietransitie, eigenlijk net als honderd jaar geleden. Daar is echt opbouwwerk bij nodig”, stelt hij.
In Assen-Oost is Maria van Bussel in ieder geval nog niet klaar met alle buren leren kennen. „Ik wil proberen nog wat vaker in de wijk te zijn. En ik hoop dat de mensen die we nu ontmoeten de volgende keer hun buren weer uitnodigen”, besluit ze. „Het is gewoon ontzettend leuk dat je mensen een goed gevoel kunt geven.”