Mariët Meester in de Koepelkerk Foto: Marcel Jurian de Jong
Het eerste beeld dat schrijfster Mariët Meester (63) heeft van de gevangenen in Veenhuizen is hoe ze op zondag naar de kerk lopen. Met haar handjes op de vensterbank en haar neus er nét boven ziet ze als meisje van 3 de grote groep mannen gaan. De mannen worden bewaakt door gestichtswachten die voor en achter de groep fietsen. De gevangenen dragen allemaal hetzelfde bruine pak.
De herinnering aan de mannen in boevenpak is de opmaat naar een levenslange fascinatie voor het bijzondere dorp waar de in Amsterdam woonachtige schrijfster opgroeit. Het dorp waarin je naar school wordt gebracht met de boevenbus. Waar honderden verbodsborden onbevoegden de toegang ontzeggen. Waar de ruige gevangenen voer zijn voor meisjesfantasieën. ,,Ik denk dat ik mijn gevoelvoor mannenhier heb opgedaan”, zegt de schrijfster lachend. ,,Ik zal nooit vallen op een keurig nette man.”
Mariët Meester gaat voor het eerst naar de kleuterschool - in de boevenbus.
Ze was helemaal niet van plan om na onder meer Hollands Siberië (2014) en Koloniekak (2012) weer een boek te schrijven over Veenhuizen. ,,Ik denk af en toe: houd nou je grote waffel maar eens. Andere mensen zijn ook koloniekinderen. Hun verhalen zijn ook interessant.”
Ze zegt het een beetje beschroomd. Maar ze heeft haar herinneringen twintig jaar geleden al eens genoteerd en ís nou eenmaal heel maatschappelijk betrokken. En dan is er die ene avond in het Amsterdamse debatcentrum De Balie.
‘Dat dorp verzint ze ter plekke’
Mariët Meester zit er op het podium. Samen met de directeur van het justitieel complex in Zaanstad, een documentairemaker en een criminoloog. Kort daarvoor gaat de schrijfster uit nieuwsgierigheid mee met een excursie naar die gevangenis in Zaanstad. Ze schrikt van de steriele ‘supergevangenis’, waar de gevangenen met zijn tweeën één cel delen. ,,Een heel brede kerel in zo’n zwart shirtje met grote spierballen stond tussen de boeken te kijken wat hij wilde lezen. Die bibliotheek was het enige stukje menselijkheid in die hele gevangenis. Maar ze wilden hem opdoeken. Ik dacht: jémig, dit is schandalig. Onmenselijk.”
Een vlammend opiniestuk dat ze schrijft in NRC is de aanleiding voor de uitnodiging aan Meester om mee te praten in De Balie. Op het podium is ze de enige met een ander geluid, de anderen zijn vol lof over de gevangenissen van nu. Meester vertelt over het gevangenisdorp waar ze opgroeide. Waar de gevangenen de ramen lapten van hun bewaarders en ervoor zorgden dat de omgeving netjes bleef. Waar inwoners en gedetineerden naar dezelfde kerk gingen en zelfs met elkaar een kopje koffie dronken na afloop van de dienst. ,,Iedereen keek zo van ‘dat wijf is gek gewoon! Dat kan helemaal niet, dat dorp verzint ze ter plekke.”
Schrijfster Mariët Meester met op de achtergrond haar ouderlijk huis aan de Kerklaan. Foto: Marcel Jurian de Jong
Daarom wilde ze Koloniekind schrijven. Het eerste exemplaar overhandigt ze op 19 april aan commissaris van de Koning Jetta Klijnsma in het Gevangenismuseum. ,,Ik wil de jonge mensen die in die zaal zaten een idee geven van de geschiedenis hier. En die geschiedenis vastleggen”, zegt ze aan de stamtafel van hotel-restaurant Bitter en Zoet, dat zij nog kent als drie losse huizen.
,,Je weet soms niet meer wat je fantaseert of wat echt is. Over een van deze huizen ging het verhaal rond dat een ontsnapte gevangene bij de bewoners onder het bed is gaan liggen. Het was echt een dorp van mythes.”
Terugkeer naar Drenthe
Meester is geboren in Den Haag. Haar pasgetrouwde ouders wonen in die tijd bij een oudere dame als vader Meester in de krant een advertentie ziet. Voor de Christelijke basisschool in Veenhuizen zoeken ze een onderwijzer. Meesters ouders, haar vader komt uit Emmen en moeder groeide op in Coevorden, voelen wel voor een terugkeer naar Drenthe. Bovendien hoort bij de baan een gigantisch huis.
Het gezin Meester in 1961. De baby is Meesters overleden broer Wout, aan wie ze het boek heeft opgedragen.
Meester is te jong om het zich te herinneren, maar van haar ouders weet ze dat een delegatie naar Den Haag reist om haar vaders kennis en kunde te testen. ,,Die mannen gingen eerst even in Den Haag wat drinken in een cafeetje. Wat bleek? Allemaal kenden ze de cafébaas.” Meester lacht. ,,Het bleek een ex-gedetineerde te zijn.” De proefles die meester Jan Meester vervolgens geeft overtuigt de delegatie uit Veenhuizen. Aangenomen!
In plaats van een geïmproviseerd aanrecht met gasbrander op de badkuip midden in de stad, woont het jonge gezin nu in een afgelegen en uitgestrekt Drents dorp. In een gigantisch huis. Het zit aan de school vast en heeft talloze kamers. Er is een tuin en zelfs een moestuin, verderop in het dorp. De gevangenen onderhouden en telen de groenten voor de familie. ,,Mijn vader vond alles kostelijk”, vertelt Meester met een weemoedige glimlach.
‘Veiligste dorp van Nederland’
,,Mijn moeder vond die eerste nacht heel eng. Ze hoorde gekke geluiden in de school en dacht dat een gevangene ontsnapt was. Ze sliep dus helemaal niet. Er zijn vrouwen in het dorp die altijd bang zijn gebleven. Mijn moeder niet. Die zei altijd: ‘Dit is het veiligste dorp van Nederland. Waar word je nou zó goed bewaakt?”
Kerklaan 10 in 1959.
Het schoolmeestergezin voelt zich snel thuis in het gevangenisdorp en trekt zich weinig aan van de regels die voor het justitiepersoneel gelden. ,,Mijn ouders gingen altijd maar een beetje in het midden zitten, in de kerk of in het Verenigingsgebouw”, herinnert Meester zich. Waar je ook kwam, je hoorde op volgorde van rang te zitten. De directeur vooraan, de gestichtswachten helemaal achterin. In Veenhuizen woonden de directeuren in de grote witte huizen. Naarmate je rang steeg, werd je huis groter. Aan het aantal strepen op het uniform van gevangenispersoneel was te zien welke functie iemand had en welk salaris daarbij hoorde.
‘Het dorp moest besloten blijven’
,,Mijn vader en moeder hebben een keer meegemaakt dat de voorzitter van het Verenigingsgebouw vergat de directeur extra welkom te heten. Daarop gingen de hoofddirecteur en zijn gezin staan.”
Meester zwiept haar handen op en neer terwijl ze vertelt: ,,En ze liepen boos de zaal uit. Die man was zo ontzettend kwaad omdat zijn gezag niet genoeg werd erkend.” De schrijfster kan zich er nog over verwonderen. ,,Dat mensen elkaar op die manier in de tang hadden zie je pas achteraf.”
Er zijn meer keerzijdes aan het leven in het justitiedorp. Zodra een personeelslid overleed of met pensioen ging, moést het gezin vertrekken. Het overkomt een van Meesters beste vriendinnen nadat haar vader plotseling sterft. ,,Een paar weken later lag er een ambtelijke brief op de mat. Ze moesten weg. Het was vanwege de veiligheid. Kijk, nu staan er allemaal hekken om de gevangenis maar dat was er toen allemaal niet. Het dorp moest heel erg besloten blijven. Die moeder en dat dochtertje hadden hier niks meer te zoeken. Ze is er nog niet helemaal overheen”, vertelt de schrijfster. ,,Ik was heel verdrietig, maar dat het zo wreed was had ik toen niet door.”
Geschiedenis van Veenhuizen
1818 Oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid door Johannes van den Bosch 1823-1824 Bouw van de gestichten Veenhuizen I, II en III. De gestichten zijn in eerste instantie bedoeld voor de heropvoeding van wezen uit de grote steden en voor dwangverpleging van gestraften uit de vrije koloniën. 1859 De Staat neemt de gestichten over van de bijna failliete Maatschappij van Weldadigheid 1888 De gestichten in Veenhuizen worden Rijkswerkinrichtingen voor mannelijke ‘verpleegden’ 1914-1918 Behalve verpleegden worden nu ook gedetineerden in Veenhuizen geplaatst 1945 Veel oorlogsmisdadigers in Veenhuizen 1967 Eerste grote Nederlandse gevangenisopstand in Esserheem 1971 Norgerhaven en Esserheem worden gevangenissen voor langgestrafte mannen 1983 Ook niet-justitieambtenaren mogen in Veenhuizen wonen
Gevangenen zijn haar rolmodellen
Voordelen voor opgroeiende jongeren? Die zijn er ook. Gratis schaatsen bij de ijsbaan en voor niks naar het zwembad. Optredens, zelfs van André van Duin, in het Verenigingsgebouw. Het zijn allemaal ‘emolumenten’, bonussen die Veenhuizers krijgen omdat ze hun werk doen in dat van de buitenwereld afgesloten dorp. Meesters broers profiteren van het feit dat de wegenverkeerswet in het dorp niet geldt. Al op hun 15de hebben ze een auto. Boetes krijgen ze niet.
Naarmate Meester ouder wordt, worden de gevangenen interessanter. Niet de Jehova’s getuigen die in Bankenbosch zitten omdat ze vanwege hun geloof dienst weigeren. De jonge jongens die met hun keurig gekamde haren en spijkerpakken in de smaak vallen bij Meesters vriendinnen. Nee, juist die lawaaimakers die grapjes maken en de kerkdienst proberen te ontregelen. Die zijn voor Meester pas echt de moeite. ,,De ambtenaren die hier woonden waren allemaal van onbesproken gedrag. Anders mocht je hier niet werken.” Saai, dus. De gevangenen zijn haar rolmodellen. Ze kijkt tegen ze op. Vrijgevochten, ruig. Dat wil zij ook.
Gijzeling van de bus
De regels van het gevangenisdorp worden steeds beklemmender. Meester wil studeren en op kamers, weg uit het dorp. In de periode dat zij de weg vindt naar een wereld die verder reikt dan het Asser scholengemeenschap worden in Veenhuizen de teugels juist aangehaald. 1974 is een omslagjaar, weet de schrijfster.
Nadat eerder in Esserheem de eerste grote gevangenisopstand van Nederland heeft plaatsgevonden, gijzelen gevangenen één van de bussen waarmee ze van de gevangenis naar hun werk worden gereden. ,,Er zijn een paar onderweg uitgesprongen”, vertelt Meester. ,,Die wilden helemaal niet ontsnappen. In het bos zijn later nog een stuk of zes teruggevonden. Er is geloof ik een jaar geweest met iets van honderd ontsnappingspogingen.”
Krantenknipsel.
In het dorp komen camera’s, de hekken die nog steeds rondom de gevangenissen staan worden gebouwd. Gestichtswachten moeten vanuit groene karabijnposten ontsnappingspogingen verijdelen. De gezamenlijke kerkgang van inwoners en gedetineerden is er niet meer bij.
Meester komt nog vaak en graag in Veenhuizen. Haar vader, inmiddels 93, woont er nog steeds. In het jaar dat hij met pensioen zou gaan, is het dorp opengesteld voor mensen die er niet werken. ,,Ik vind het eigenlijk niet zo heel erg veranderd. Het is gelukkig wat normaler geworden”, zegt ze. ,,Het wordt alleen maar beter, denk ik.” Ze overweegt zelfs om terug te verhuizen.
Gewoon als mens
De meest waardevolle les die ze dankt aan haar jeugd in het gevangenisdorp is respectvol omgaan met iedereen. ,,Gedetineerden, moest ik van mijn moeder zeggen. Niet gevangenen. Gedetineerden was respectvoller. De menselijkheid van een ander moet je altijd zien.” Voor de leesbaarheid van haar boek sloot ze een klein compromis: de helft van de keren noemt ze gedetineerden in Koloniekind gevangenen. ,,Zou mijn moeder vast iets van hebben gezegd.”
Binnenkomen bij de inwoners van het gevangenisdorp mochten de gedetineerden niet. Van echt samenleven was dus geen sprake. Maar in Veenhuizen bestonden de gevangenis- en de gewone wereld naast elkaar. ,,De gedetineerden hadden hier een functie. Dat vind ik heel erg mooi. Ze werden niet als onmens gezien, maar gewoon als mens.”
Misschien kunnen ze er nog wat van leren daar, in Zaanstad.
Lezingen
In de Koepelkerk van Veenhuizen vertelt Mariët Meester op zaterdag 23 april om 14.00 uur over haar boek. Aansluitend is er een wandeling langs de belangrijkste plekken uit het boek, onder leiding van Veenhuizer gids Peter Bos. Aanmelden kan op de website www.inveenhuizen.nl
Op zondagmiddag 24 april geeft de schrijfster bij boekhandel Van der Velde in Assen een lezing over Koloniekind. Aanmelden is verplicht en dat kan via de boekhandel. Aanvang is wederom 14.00 uur.