Een vrachtschip ramde op 22 september een pleziervaartuig op het Prinses Margrietkanaal ter hoogte van Warten. Foto: Kappers Media
Welke regels gelden op het water? Wat er fout ging bij de aanvaring maandag bij Warten, wordt nog onderzocht. In zijn algemeenheid legt deskundige Arjen Mintjes de verkeerswetten uit. „Klein moet wijken voor groot.”
Maandagmiddag ging het mis in het Prinses Margrietkanaal. Bij de Fonejachtbrug, tussen Warten en Garyp, botste het 86 meter lange binnenvaartschip Spes-Vera op een plezierbootje. De kruiser zonk daarbij. De opvarenden van het kleine bootje, een vrouw (69) en man (76) uit Duitsland, werden met spoed naar het ziekenhuis gebracht. De vrouw overleefde het ongeluk niet.
Oud-directeur Arjen Mintjes van de Maritieme Academie in Harlingen kan niets zeggen over deze aanvaring. Hij kent de situatie niet. Bovendien doet de politie nog onderzoek naar hoe de aanvaring heeft kunnen gebeuren. Maar in zijn algemeenheid wil de oud-directeur de verkeersregels op het water wel uitleggen.
‘Het is geen Wilde Westen’
Op het water is een van de belangrijkste regels ‘klein wijkt voor groot’, zegt Mintjes. „En te allen tijde aan de rechterkant blijven.” Maar als grote schepen inhalen, moeten schippers goed uitkijken of dat kan. „Je mag er niet zomaar overheen. Het is geen Wilde Westen.”
Als zo’n groot vrachtschip plotseling tot stilstand moet komen, is het moeilijk voor de schipper om dat voor elkaar te krijgen. „Je kunt natuurlijk hard achteruit, maar het duurt gewoon een hele tijd voor je stilligt. Je hebt sowieso een hele scheepslengte nodig om stil te liggen. Als je een schip hebt van 60 meter, dan ben je al een voetbalveld verder.”
Daarbij maakt het nog verschil of het schip een lading aan boord heeft of niet. Een zwaar beladen schip komt nog moeilijker tot stilstand. Het schip dat betrokken was bij de aanvaring had geen lading aan boord.
Dode hoek
Bij een leeg schip komt het gevaar weer uit een andere hoek. Een schip kan dan gevoelig zijn voor de wind. Door de wind kan een schip wat zijwaarts komen te liggen. „Je hebt dan minder uitzicht, je hebt een grotere dode hoek.”
Zo’n dode hoek hebben, is normaal, legt Mintjes uit. „Een groot binnenvaartschip eist een dode hoek. Bij een leeg binnenvaartschip kun je vanuit de stuurhut niet recht voor de kop kijken. En dat mag ook. Alleen mag die niet groter zijn dan 300 meter.”
Met camera’s of een radar kan een schipper die dode hoek verkleinen. „Een heleboel schepen hebben voorop camera’s. Of dat in dit geval ook zo is, weet ik niet. Maar het is niet verplicht, je mag gewoon een dode hoek hebben.”
‘Verwacht dat ze dit allebei weten’
Mintjes noemt dat logisch. „Schepen moeten gewoon kunnen varen en van kleine vaartuigen mag je toch wel veronderstellen dat ze weten dat een groot vaartuig een dode hoek heeft.”
Als een groot schip een kleiner schip inhaalt – ophalen wordt dat in de scheepswereld genoemd – dan is het de bedoeling dat het kleine bootje zoveel mogelijk rechts houdt. „En dat het grote vaartuig in ieder geval voldoende ruimte overlaat om voorbij te gaan. Je mag van zowel de schipper van het grote vaartuig als het kleine vaartuig verwachten dat ze dit allebei gewoon weten en daar rekening mee houden.”
Niet een plek die als gevaarlijk bekend staat
De Fonejachtbrug staat voor de oud-directeur niet bekend als een gevaarlijke plek in het Prinses Margrietkanaal. „Toen ik het eerste bericht van de aanvaring hoorde, dacht ik: dat zal bij de Kruiswaters zijn.” Daar steken veel jachten het kanaal over om naar Earnewâld te varen. „Bij elke brug moet je natuurlijk uitkijken, maar dit is niet een plek waarvan ik zou denken: die is heel gevaarlijk.”