De voltallige Tweede Kamer heeft stemde in met de herinvoering van de basisbeurs van studenten op hogescholen en universiteiten. Foto: ANP
Een grote meerderheid in de Tweede Kamer staat achter het herinvoeren van de basisbeurs voor studenten in het hoger onderwijs, zo bleek woensdag tijdens een debat over het wetsvoorstel. Maar brede steun of niet, echt veel vreugde om de herinvoering is er niet.
Oppositiepartijen vinden de nieuwe basisbeurs te laag. En ook vallen ze over de magere tegemoetkoming voor studenten die zich de afgelopen jaren noodgedwongen diep in de schulden staken. „Een fooitje.” Vijf vragen en antwoorden:
Wat gaat er concreet veranderen?
De basisbeurs komt terug, ongeveer zoals de ’stufi’ was voor die in 2015 werd afgeschaft. Dat betekent dat uitwonende studenten vanaf komend studiejaar een basisbeurs krijgen van (afgerond) 275 euro per maand, en thuiswonende van 110 euro. Studenten die ouders hebben die samen minder dan 70.000 euro per jaar verdienen, krijgen daarbovenop een aanvullende beurs. Die bedraagt maximaal 401 euro per maand. Ook wordt de basisbeurs in het eerste jaar aangevuld met 165 euro per maand, vanwege de hoge inflatie. Net als voor 2015, hoeven studenten de basisbeurs niet terug te betalen als ze binnen tien jaar hun diploma halen.
Ook voor mbo-studenten verandert er wat. Zij kunnen straks onbeperkt bijverdienen naast hun studie, en betalen een studieschuld straks terug tegen dezelfde voorwaarden als studenten in het hoger onderwijs.
Om te beginnen is de basisbeurs straks lager dan in 2015. Terwijl bijvoorbeeld op kamers wonen en boodschappen doen veel duurder zijn geworden. Maar hoewel veel oppositiepartijen vinden dat de bedragen omhoog moeten, is daarvoor geen meerderheid te vinden. Coalitiepartijen VVD, CDA, D66 en CU zeggen namelijk dat daarvoor geen geld is. Zij houden vast aan de één miljard euro die het kabinet structureel voor de basisbeurs wil uittrekken.
Waarom werd de studiefinanciering in 2015 afgeschaft, en wat waren daarvan de gevolgen?
Het afschaffen was een oude wens van vooral linkse partijen. Het idee was dat van studenten best kon worden gevraagd meer te betalen voor een studie, omdat zij later gemiddeld ook meer verdienen. Kortom: de bakker moest niet meebetalen aan de studie van de advocaat. Met steun van de VVD, PvdA, D66 en GL ging er een streep door de basisbeurs.
Nu, ruim zeven jaar later, hebben ook die partijen spijt. De gevolgen blijken namelijk vrij desastreus: zo bleek in 2018 uit cijfers van het CBS dat kinderen uit bijstandsgezinnen minder vaak doorstromen van de havo naar het hbo. Ook beginnen pas afgestudeerden hun loopbaan met een gemiddelde schuld van bijna 28 duizend euro. Dat zorgt voor een hoop stress.
In hoeverre worden studenten die de afgelopen zeven jaar moesten lenen voor hun studie, gecompenseerd?
Er wordt wel iéts gedaan, maar compensatie? Nee. Er komt een tegemoetkoming voor de ’pechgeneratie’ die studeerde tussen 2015 en nu. Terwijl de totale studieschuld met 14 miljard euro toenam, trekt het ministerie slechts één miljard uit om de studenten die in het leenstelsel zaten te compenseren. Per student betekent dit een bedrag van iets meer dan 1400 euro, terwijl de gemiddelde studieschuld dus twintig keer zo hoog is. Oppositiepartijen spreken daarom van een ’fooitje’.
Valt er nog wel iéts extra’s te verwachten ten opzichte van deze plannen?
Er is, zoals ze dat noemen, weinig politieke ruimte. Grote veranderingen in de plannen zijn dus niet te verwachten, ook al omdat alle partijen hebben gezegd het voorstel hoe dan ook te steunen. Toch dienen sommige partijen wel voorstellen in (amendementen) om de plannen iets bij te sturen. Voor het ophogen van de inkomensgrens voor de aanvullende beurs bijvoorbeeld. Maar of zo’n voorstel het haalt, hangt ervan af of er ’dekking’ voor wordt gevonden. Wijzigingen kosten namelijk geld, en dat moet ergens vandaan komen