Columnist Maaike Borst Foto: Marcel Jurian de Jong
Op het terras van het theatercafé troffen we een dichter. Dat was niet verrassend, hij paste daar goed – met zijn lichtbruine verweerde lamswollen jas en wilde witte haren.
Hij dronk een beroemde Vlaamse tripel en na wat gebabbel over Remco Campert en Bob Dylan volgde het onvermijdelijke moment dat hij een van zijn gedichten reciteerde. Het begon zo:
de zee zwelt met haar baren mee/en spoelt uit forten van brak zand/een stukje van een kindertand/of zij bijt aan ‘Huisje Weltevree’.
„Uit de tijd dat ik nog goed was”, zei hij na zijn voordracht.
Wij waren te gast in zijn stad, in Gent, en hadden geduld met de moeilijk verstaanbare en slechthorende oude man die verhaalde over het nachtcafé dat hij ooit bezat, zijn liefde voor Anderlecht, zijn ontmoetingen met Jules Deelder en Jan Mulder.
De moeder van zijn zoon was een Nederlandse, en dat was volgens hem een uitstekende combinatie geweest. De zoon is onlangs met niets dan een klein tentje op de fiets vertrokken naar de Noordkaap.
Wat we in ieder geval moesten doen in Gent, zei de dichter, was een bezoek brengen aan Het Lam Gods, beroemd schilderij van de gebroeders Van Eyck in de Sint-Baafskathedraal.
De volgende dag – je bent toerist of je bent het niet – bestudeerden we de twaalf panelen van het middeleeuwse meesterwerk. Ze stonden veilig maar afstandelijk in een glazen kooi: Adam, Eva, de engelen, Maria, God, Johannes de Doper en het lam zelf. Imposant, maar ik voelde er niets bij.
„Je moet het zien in de tijd”, zei de beeldend kunstenaar die we die avond troffen in het café. Zelf had hij meer met onze Rembrandt en Vermeer, vertolkers van het protestantse Holland, dan met de katholieke werken van Van Eyck en Rubens. Die voorkeur beperkte zich trouwens tot de kunst, in de kroeg verkoos hij overdaad boven soberheid.
Wij voelden ons dat weekend thuis bij de zuiderburen, toch spraken zowel de dichter als de kunstenaar over het wezenlijke verschil tussen de protestantse en katholieke cultuur. Niet in de taal, maar in die cultuur voelde je de landsgrens – hoe graag zij de Nederlanders ook mochten.
Van de kunstenaar is een expositie te zien in Workum, vertelde hij, maar hij had verder geen zin om over zijn werk te praten. Als we nieuwsgierig waren moesten we daar maar gaan kijken. Hij maakte liever grappen met de barman en bietste sigaretten omdat hij vandaag was gestopt met roken.
Gent, zei hij, lijdt aan gezelligheid.
De kunstenaar vond de dichter overigens maar een aansteller, al moest ie toegeven dat die De Waele vroeger nog weleens wat moois had geschreven.
de zee speelt voor zichzelve slee/en sliert verwaterd uit op ‘t strand/waar zij gekriebeld door de brand/al gierend vlucht. hoezee! hoezee!