Dezer dagen woonde ik een strikt wetenschappelijk debat bij over het begrip vrijheid. Daar komt, zo bleek alras, veel meer bij kijken dan je aanvankelijk denkt.
Vrijheid kan positief gedefinieerd worden, als de mogelijkheid zelf iets te doen, negatief als de afwezigheid van dwang of beperkende omstandigheden.
Bij die positieve mogelijkheid zelf te beslissen kan evenwel ook iets optreden wat de vrijheid weer beknot, bijvoorbeeld een verslaving: daar kies je zelf voor, maar het gevolg is een vorm van onvrijheid. Beperkende factoren treden onontkoombaar op wanneer de vrijheid van de één ten koste dreigt te gaan van die van anderen.
In de Verenigde Staten, die zichzelf graag aanduiden als The Land of the Free, is het vooral de eigen vrijheid die men koestert, en als die door iemand anders belemmerd wordt, moet die ander wijken. Dat leidt dikwijls tot ernstige conflicten, die in een samenleving waar zo’n beetje iedereen over vuurwapens beschikt, lelijk uit de hand kunnen lopen.
Rookverbod
Door dit voorbeeld van een ‘vrijheid’ die ten koste gaat van de vrijheid of het welbevinden van derden kwam op een gegeven ogenblik onvermijdelijkerwijze het rookverbod ter sprake.
Zo’n bibberende paffer buiten het café is een sneue aanblik
Daarmee is het eigenaardig gesteld. Het is wel degelijk een inperking van de individuele vrijheid, en een paar decennia geleden zou men niet geloofd hebben dat het ooit zou worden ingevoerd, sterker nog, dat het daarna vrijwel universeel geaccepteerd zou raken. Niettemin is het roken in verbluffend korte tijd van iets stoers tot iets zieligs gedegradeerd; het mag hier en daar nog wel op straat, maar zo’n bibberende paffer buiten het café is een sneue aanblik (temeer waar vroeger het roken op straat niet netjes gevonden werd; dat deden alleen patjepeeërs).
Dit is een uitzondering op de regel dat iets wat niet mag, een bijzondere aantrekkingskracht uitoefent. Als je een kind aan de literatuur wilt krijgen, moet je het nadrukkelijk verbieden in bed te lezen; geheid dat het dan (een enkele druiloor daargelaten) met een boek en een lantaarntje onder de dekens kruipt.
Alle ellende in de wereld is, zoals u weet, voortgekomen uit de nieuwsgierigheid van de eerste vrouw, die alles had wat haar hartje begeerde, maar het niet kon laten te snoepen van de enige verboden vrucht. Een tegenhanger van dit Bijbelverhaal vormt de Griekse mythe van Pandora – ook een eerste vrouw – die de haar toevertrouwde doos onder geen beding mocht openen, wat ze natuurlijk wel deed. (Recent onderzoek heeft overigens uitgewezen dat het geen doos, maar een vaas geweest moet zijn waaruit toen alle rampzaligheden ontsnapt zijn.)
Overspel
Waarom het in beide gevallen uitgerekend een vrouw was die ons in de narigheid heeft gestort, leidt tot een discussie die we hier niet gaan voeren. Ovidius in zijn Amores, Liefdesgedichten, spoort juist de mán tot overspel aan met de woorden Quod non licet acrius urit (wat niet mag, is des te verlokkelijker).
Kortom, het is maar goed dat niet alles is toegestaan; wanneer je alles kunt doen wat je wilt, verliest vrijheid haar betekenis. De lol is eraf. In het zeldzame geval dat iemand helemaal nergens door wordt tegengehouden, geeft zelfs, ik noem maar wat, het bombarderen van Teheran geen échte voldoening.