‘Je moet een studentenkamer inrichten, niet Paleis Soestdijk’, bromde ik toen ik zag wat mijn vrouw allemaal had gekocht | column Herman Sandman
Herman Sandmancolumns

Terwijl mijn vrouw spulletjes gaat kopen, stap ik die zaterdag op de fiets richting hartje stad om in de nieuwe kamer van jongste zoon te sauzen. Hij verhuist naar een eigen plek.
Het oude straatje was smal en de gebouwen aan de overzijde zo hoog dat ik dacht: hij heeft geen last van de volle zon op de ramen. Nou… Ik heb nog nooit zo gezweet.
Een muur was bordeauxrood en de andere lichtbruin en alles moest wit, dus dat betekende twee lagen. Ik dacht: we hebben het over een studentenkamer, what the hell, maar in die stand stonden vrouw en zoon niet. Zij: „Nee, dat moet even netjes.”
Ik had 1,5 uur wachttijd voor ik aan de tweede laag kon beginnen en was zo bezweet dat ik me moest afspoelen om de stad in te gaan. Gelukkig had zoon een keukentje, toilet en douche.
Winkelen in die hitte bleek niet te doen, zelfs ergens zitten voor een latte of een panini niet. Dus was ik snel weer op de kamer en at wat ik had meegenomen: vier broodjes ham, appel en banaan.
Hydrateren deed ik met een fles spa rood en een fles spa blauw.
De tweede laag zat er om half 4 op en ik hoopte maar dat het na het drogen echt dekkend zou zijn. Ik zweette nog meer dan ’s ochtends, dus voor ik terug fietste douchte ik wederom.
Thuis dook ik in ons zwembadje en na het afdrogen arriveerde mijn vrouw. Ze liet me de spullen in de auto zien en ik zag wat al op de werkkamer stond. „Je moet een studentenkamer inrichten”, bromde ik, „niet Paleis Soestdijk.”
Ze lachte even: „Grappig, ja. Leuke spulletjes toch? Hij heeft echt niks. Morgen kunnen we een bed halen. En dan moet ik achter een bank aan, misschien bij de IKEA.”









