Een man loopt midden op het fietspad, een eindje voor mij. Gedrongen postuur, 0-benen. Bouw van iemand die zijn leven lang op het land heeft gewerkt.
Dichterbij rinkel ik met de fietsbel. Geen reactie. Hij blijft, zoals dat in de streektaal heet, midden op pad. Ik kan er niet langs, moet in de remmen en een meter achter hem zeg ik: „Mag ik er even langs?”
De man schrikt, draait zich om, stapt opzij en zegt: „Sorry.”
In het Engels. Het is dus geen Nederlandse man. Ik fiets erlangs, glimlach kort en reageer met: „No problem.”
Kan gebeuren. Bijna had ik ook ‘Can happen’ gezegd.
Een dik kwartier later, halverwege de fietstocht van werk naar huis, bij een grasveldje in een buurtschap, stapt een echtpaar met e-bikes en al zonder te kijken vanaf de picknickbank het fietspad op en moet ik opnieuw in de remmen.
Ze hebben mij pas in de gaten als ik vlakbij ben en ook deze keer klinkt een ‘sorry’ en blijken het geen Nederlanders. Ik glimlach half, zeg ‘okay’, fiets door en opnieuw schiet mij een kromme zin door het hoofd: ‘you cannot go the byciclepath on without out to looken’.
Wel rij ik hoofdschuddend verder. Van fietsers en voetgangers in de stad ben ik allang gewend dat ze zonder te kijken de weg oversteken of zich in het verkeer begeven. Dat het ook in het buitengebied gebeurt is nieuw voor mij.
Aangezien niet alleen al het goede in drieën komt, staan op de ventweg in onze straat voor de derde keer mensen midden op pad.
Kinderen uit het dorp, die met folders lopen. Ze maken wat ruimte, kijken naar mij als ik passeer, maar zeggen geen ’sorry’.