Er gingen al geruchten rond op school, maar deze week heeft het zesjarige zoontje van een vriendin officieel te horen gekregen dat Sinterklaas niet bestaat. Het is beter dat in deze tijd van het jaar te weten te komen dan, zeg, eind november, als het hart tot berstens toe vol verwachting klopt.
Hij reageerde er niet buitensporig geschokt op, want hij is niet dom, en had zich er reeds over verwonderd dat de oude baas op Texel aankwam, en bijna tegelijk zijn intocht in Groningen hield. Het christendom heeft een verklaring voor de gelijktijdige aanwezigheid van dezelfde heilige bij twee verschillende gelegenheden, de zogeheten bilocatie, doch een beroep op deze hogere theologie bleek niet nodig.
Er bleef nog wel wat uit te leggen. Dat zijn moeder de cadeautjes had gekocht, nam hij grif aan (ze deed ook de rest van het jaar niet anders), maar wie had er op 5 december, terwijl ze samen aan tafel zaten, op de deur gebonsd? Gevraagd of hij wist wie er op school voor Sint Nicolaas had gespeeld, antwoordde hij verrassend: ‘Jean Pierre!’, vermoedelijk omdat ik de enige baardman in zijn omgeving ben.
In die dagen kreeg Sinterklaas overal borrels aangeboden, ‘tegen de kou’
Dat bracht me mijn eigen optreden als Goedheiligman in herinnering, vele jaren geleden. Ik bezocht vooral inmiddels door kinderzegen getroffen voormalige vriendinnetjes, die ik dan ongebreideld op bestraffende toon kon toespreken, terwijl hun kroost ademloos aan mijn lippen hing. In die dagen kreeg Sinterklaas overal borrels aangeboden, ‘tegen de kou’, en de kleintjes keken er nauwelijks van op als hij bij het drinken zijn hinderlijke baard optilde, en daaronder nóg een sikje bleek te dragen.
Onderweg namen mijn toen nog onbeschaamd zwarte Pieten en ik even rust in een strategisch gelegen café, waar ik, zoals naderhand bleek, mijn bisschopsstaf zou vergeten. Ook staat me nog mijn wrevel bij over de omstandigheid dat ik, na een bezoek aan het sanitair, dat rare lange overhemd maar niet in mijn broek kon krijgen. Door al die geschonken hartversterkingen was ik mijn episcopale vermomming totaal vergeten.
Het kan erger. Mijn betreurde vrienden Jan Lokin en Driek van Wissen waren er op één of andere wijze achter gekomen welke kinderrijke gezinnen thuis een Sinterklaas besteld hadden, en belden daar een half uur vóór het overeengekomen tijdstip aan (’Daar zijn we dan!’). De ontreddering bij het verschijnen van de tweede Sint en Piet na hun vertrek laat zich raden.
Mijn eigen geloofsafval hing samen met het rijzige postuur en de doorrookte stem van mijn moeder, eigenschappen die haar bij uitstek geschikt maakten als Kindervriend op te treden voor demente bejaarden. Als kleuter mocht ik mee, en werd daar tot vertedering der oudjes op schoot genomen. Later, nadat ze afgeschminkt was, zat ik daar weer, en merkte op dat ze naar Sinterklaas rook. Het leek haar een geschikt moment mij de waarheid te vertellen.
Ik heb daar niets aan overgehouden, maar voor sommigen schijnt die onthulling een traumatische ervaring te zijn, waardoor ze vervolgens aan alles twijfelen wat hun verteld wordt. Van de weeromstuit gaan ze dan later weer geloof hechten aan de onwaarschijnlijkste complottheorieën, en – om maar iets te noemen – denken dat de wereld door reptielen wordt beheerst.