Midden op straat staat een jongetje, blonder dan het lichtste blond, met in zijn ene hand een badmintonracket. Het speeltuig is, als je het rechtop naast hem zou neerzetten, bijna net zo hoog als het ventje zelf. In zijn andere knuistje, tussen duim en wijsvinger, houdt hij het pluimpje.
Een paar keer beweegt het jochie het racket traag naar de shuttle. Dat is om te mikken. Zoals ook een golfer zijn slag een paar keer in het luchtledige oefent, voor hij het balletje daadwerkelijk een ros verkoopt.
„Nou, hup, kom op dan…”
Daar heb je de vader. Een man in korte spijkerbroek en sokken in badslippers, die zich op een meter of 6 tegenover zijn zoon heeft geposteerd. Zijn hele houding ademt ongedurigheid. Hij is hier wel, maar zou eigenlijk liever iets anders doen. Het gras moet gemaaid. Een collega zou nog terugbellen. Hij kijkt op zijn telefoon. Niks.
Ik voel met hem mee. Badmintonnen (of een willekeurige andere racketsport) met een vierjarige is, weet ik van lang geleden, een oefening in geduld. Je hoopt op fraaie rally’s, op een verfijnde uitwisseling van slagen, maar dat is, gezien de fase waarin de opponent zich op motorisch vlak bevindt, een oneerlijk verwachtingspatroon. Uiteindelijk komt het er op neer dat je vooral sjokkend shuttles aan het rapen bent. Voor je. Achter je. Van de straat. Uit de tuin van de buren. Van de motorkap van een nabij geparkeerde auto.
Kunst is, niettemin, om die verveling te maskeren. Of nog beter: om je eroverheen te zetten. Geprezen zij de vader die als een bezetene achter onhaalbare shuttles aan holt, die heroïsche duikvluchten onderneemt om het gevederde doelwit onder hard gekreun terug te meppen en, het allerbelangrijkst, te allen tijde complimenteus blijft jegens zijn kroost, ook na de honderdste mispeer: ‘Bíjna zeg!’
Ik zie hoe deze vader daarmee worstelt. Het weer helpt ook niet mee: er staat een flinke bries dwars over de straat, die het pluimpje voortdurend uit z’n baan jaagt.
„Zullen we de slagen hardop tellen?”, stelt hij zijn zoon voor. Het ventje, tong uit de mond van concentratie, knikt.
Vanaf dat moment klinkt het getal van de teleurstelling door de straat: ‘Eén…’
‘Eén…’
‘Eén…’
Verder dan een enkele opslag komen vader en zoon niet, maar juist als de schouders gaan hangen en alle hoop op beter vervlogen lijkt, gebeurt het: na de openingszwiep van papa belandt de shuttle pardoes op de snaren van de jongen, ‘Twee!’, waarna het kleinood koers zet naar een haag. In een uiterste poging de slagenreeks te verlengen, kwakt de vader zijn racket ertegenaan. Raak!
„Tweeënhalf!”, jubelt de vader.
„Mama, tweeënhalf”, juicht het blonde kereltje naar zijn moeder, die juist is komen aanwandelen.
„Twee-en-een-half?”, herhaalt zij met amper gespeelde verrukking. „Toe maar!”
Ze aait haar zoon over de bol, wendt zich tot de vader en schenkt hem de gulle knipoog die alles helemaal waard maakt.
Journalist Wieberen Elverdink (45) woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp, centraal in het Noorden. Hij schrijft over kleine en grote gebeurtenissen in het (dorps)leven.