In het centrum van de Grote Plaats werd ik achtervolgd door een groep slungels van kerels. Zelf zal ik een jaar of twaalf zijn geweest en brugklasser, een fase waarin alles om je heen groot en ontzagwekkend is.
De jongens achter me, stuk voor stuk een jaar of drie ouder, kwamen van de school naast de mijne. Van de school waar mijn vader bouwtechniek doceerde. Ik hoorde ze achter me onheilspellend smiespelen. Pssspsss… meneer Elverdink… Pssspsss.
„Hé!”, klonk het ineens, eerder dwingend dan nieuwsgierig. Ik verstijfde. „Ben jij de zoon van Elverdink?”
Langzaam draaide ik me om. Ik was de bok, dat kon niet anders. Zoontje van de leraar. Easy target. Misschien had mijn vader een van die snuiters er eerder die dag wel uitgestuurd, en maakten ze nu aanstalten hun woede op mij te botvieren.
„Ja…”, stamelde ik.
Juist op dat moment ontdooiden de gezichten van die bovenbouwers. Olijke koppen met oorringen en matjes. „Zeg maar tegen je vader dat hij een beste vent is.”
Opgelucht haalde ik adem. Het had niet veel gescheeld, het kwartje had evengoed de andere kant op kunnen vallen, maar ‘zoon van Elverdink’ bleek iets om trots op te zijn. In plaats van klappen kreeg ik een groet.
Het voorval maakte me voor het eerst duidelijk dat je meer bent dan jezelf. Dat mensen je zien in relatie tot iemand anders en ook zo aanspreken. Je bent ‘zoon van’, ‘vriend van’, ‘collega van’ of ‘dorpsgenoot van’ die-en-die en het hangt blijkbaar van die relatie in kwestie af of je daardoor zelf in een goed blaadje staat.
Sommige van die aanspreektitels strekken waarachtig tot eer. Ik weet nog goed dat ik onze oudste eens in zijn klas bracht, een kring vol kleuters op stoeltjes met stickers. Ik had hem een kus op zijn voorhoofd gegeven en zijn rugtas met fruit en drinken in de daarvoor bestemde bak gelegd, toen ik bij het afscheid in de deurpost een ander jochie hoorde roepen: „Dag vader van Stijn!”
Het sloeg bij me in, meteen, al liet ik niets merken. Ik was niet Wieberen. Niet mijn eendimensionale zelf. Ik was iets veel mooiers, iets veel diepers en betekenisvollers dan dat. Ik was iemands vader. De vader van Stijn zelfs. Zelden had ik me vaderder gevoeld dan daar, in die deuropening van groep 2.
Het is amper voor te stellen dat diezelfde kleuter van ons nu hbo’er is en zelf een opleiding volgt die hem leraar moet maken. Vorige week was hij met de bovenbouw van de basisschool waar hij stageloopt mee op schoolkamp. Halverwege zond hij ons een filmpje, waarin hij, gewapend met een waterpistool, met collega-docenten de zaak op stelten zette. Hij glansde in zijn nieuwe rol, we zagen het zich gewoon voltrekken op ons scherm.
Enkele dagen later, het kamp was ten einde, haalde ik hem op bij zijn stageschool. Terwijl ik de achterklep opende en hij zijn spulletjes inlaadde, slopen twee kinderen naderbij. En toen onze blikken elkaar kruisten, trakteerden ze me op mijn nieuwste, prachtigste eretitel.
„Hoi vader van meester Stijn!”
Journalist Wieberen Elverdink (45) woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp, centraal in het Noorden. Hij schrijft over kleine en grote gebeurtenissen in het (dorps)leven.