Een grote bonte specht zit bij het voederhuisje. Dat is niet naar de zin van een koolmeesje dat de kamer in kijkt en naar mij | column Herman Sandman
Herman Sandmancolumns

Een mij onbekende vogel zit bij het voederhuisje bij de vijver. Zwart met wit en rood. Mooi beest. Groot, in vergelijking met de koolmeesjes die tot dan uit het vetpotje pikken.
Ik kijk vanaf de bank toe en roep zachtjes mijn vrouw die in de slaapkamer is. Geen reactie en na een paar keer stop ik. Het is onzin om het hele huis bij elkaar te schreeuwen vanwege een vogel.
Na de zoekterm ‘zwart+wit+rood+vogel’ volgt: grote bonte specht. Als die weg is ga ik naar de slaapkamer: „Ik riep je. Er was een mooie vogel bij het vetpotje. Zwart met wit en rood. Grote bonte specht.”
„Ok”, zegt ze. Dat snap ik. Wat zou ze ook nog meer moeten zeggen? Ik meld bovendien meteen dat het een andere was dan de groene specht die een maand terug onder de magnolia zat en naar behaarde bosmieren zocht. „Die was groen, deze was zwart met wit en rood.”
„Ok, leuk.”
Van haar mag het voederhuisje weg. De winter is voorbij en ik denk dat ze het ding niet mooi vindt. Ik heb er geen last van. Het staat in een bordertje met riet en dat groeit er vanzelf omheen.
Bovendien zie je nog eens een grote bonte specht.
Aangezien het mijn niet-werkdag is en er pas later activiteiten op de agenda staan, aanhanger leeggooien en kamer kijken met jongste zoon, keer ik terug naar de bank en zie de zwart met wit en rode vogel even later weer bij het vetpotje.
Een koolmeesje vliegt er omheen. Het zwart met witte, grijsblauwe, olijfgroene en gele vogeltje vindt die grote bonte specht overduidelijk niks, landt op de leuning van de loungeset en kijkt de kamer in en naar mij, met een bik van: „Hé mienjong, dou der even wat aan.”









