Een redelijk deel van de zondag ben ik bezig met één boom. Stam en kruin moeten bevrijd worden van Hedera. Een klus die al jaren wacht, maar kom er eens aan toe.
Die boom, Prunus, Japanse Sierkers of iets anders, staat prachtig in bloei, met wit/roze bloemetjes, maar wordt overwoekerd door die klimop. Die is niet schadelijk, het staat gewoon niet mooi.
Ik snoei eerst een paar overhangende boomtakken en stort me dan op de Hedera. Nog niet eenvoudig, want die zit stevig op de stam. Met de boomzaag en gestaag doorwerken lukt het.
Van onderaf korte stukken van de Hedera-stam inzagen en met een kleine voorhamer wegtikken. Naarmate ik vorder moet ik hoger de boom in, tot een ladder onvermijdelijk is.
Ik heb een stevige ladder, maar ben er geen fan van. Een vriend uit het dorp is onlangs met kettingzaag en al uit een boom gevallen. Gekneusde ribben, nekklachten en vier wervels beschadigd.
Beetje bij beetje ontdoe ik de Prunus of Sierkers van de klimop, wurm me meer en meer de kruin in en heb spijt dat ik geen shirt met lange mouwen aan heb. Mijn armen zitten vol krassen.
Mijn vrouw komt af en toe kijken. „Doe je voorzichtig?”
„Nee, ik doe heel wild”, grap ik.
Het lukt om de hele Hedera uit de boom te krijgen. Waarna wij, ik vermoeid en onder de bloedende schrammen, de bloemetjespracht bewonderen die weer helemaal tot zijn recht komt.
„Mooi toch?”, vraag ik, „ben niet vaak trots op mezelf, hiermee wel.”
„Ja”, knikt mijn vrouw, „wilde je die boom ook niet snoeien? Er zijn inderdaad takken die weg kunnen, vooral die ene die boven uit de kruin steekt.”