Op hetstrand van Terschelling loopt een dier rond. Het is geen hond, garnaal of kokmeeuw, ik weet niet wat voor naam hij draagt, ik heb nog nooit zoiets gezien. Dit dier is gegroeid uit pvc, uit elektriciteitsbuis. Of niet gegroeid, want in tegenstelling tot alle andere dieren heeft dit wezen wel een schepper: Theo Jansen.
Theo Jansen is een kunstenaar die sinds 1990 strandbeesten bouwt. Daarvoor maakte hij 5 meter brede ufo’s die hij over zijn woonplaats Delft liet scheren, maar sinds 1990 probeert hij de wetten van de evolutie toe te passen op elektriciteitsbuis en plakband, in de hoop ooit op een dag een kudde van vrije strandbeesten over een winderig Noordzeestrand te zien schuimen. In het proces van evolutie zijn de strandbeesten nu aangekomen bij het verkrijgen van geluid. Samen met het rietblazersensemble Calefax doet Jansen deze week op Oerol onderzoek naar de typische roep van het strandbeest.
Samen met Calefax, maar ook samen met het publiek. Want terwijl de regen met bakken uit de hemel komt, staat een groep van zo’n tachtig mensen op stukjes buis te blazen. Het waait, het stormt zelfs, niemand heeft meer droge sokken, toch blijft iedereen geconcentreerd en dapper fluiten. Een mevrouw van begin 60, capuchon zo dicht mogelijk getrokken en met regenspetters op haar bril, kijkt geconcentreerd naar één van de rietblazers die met montere armbewegingen de groep dirigeert.
Of groep? Eerder kudde. Want dit natgeregende plukje is onderdeel van de 55.000 dieren tellende kudde die tijdens Oerol zich over het eiland beweegt. Een kudde die naar een jongen kijkt die met een bosje tl-buizen danst, een kudde die een stoffen reus in een voormalig gymzaal bewondert. Een kudde die hoopt dat een keukenbewoner in de branding niet verdrinkt, een kudde die danst op de tonen van een 3 meter lange, éénsnarige basgitaar.
Over Oerol wordt wel eens gekscherend gezegd dat het een festival is waar door het jaar heen doodnormale mensen, kantoorbediendes en juffen, plots geïnteresseerd naar een tot hun middel in de duinen begraven panfluitband willen kijken. Dat is waar. En ik vind het fantastisch dat iemand die het hele jaar hetzelfde scherm of klaslokaal ziet, in die panfluitband iets nieuws krijgt voorgeschoteld.
Want dat is wat kunst doet, dat is wat kunstenfestivals doen. In plaats van iets bekends en dus vertrouwds aan te bieden, zorgt goede kunst ervoor dat onontdekte luikjes in hoofd of hart plotseling opengaan. Dat is waardevol, want door dat openzetten wordt niet alleen de ervaring van de wereld voor het individu breder (‘nu vind ik opeens moderne dans leuk!’), ook de mogelijkheden van de mens als soort worden uitgebreid. Met een nieuw soort gevoel dat door een kunstwerk getriggerd is, kan onze diersoort plotseling een trucje meer!
Daarmee zijn we weer terug bij de strandbeesten van Theo Jansen, die met behulp van het publiek een geluid kregen. Het zou behoorlijk arrogant zijn te menen dat wij de strandbeesten met hun evolutie kunnen helpen, maar dat dat andersom niet gaat. Ook onze evolutie is nog niet voltooid, ook wij zijn nog lang niet af, gelukkig maar! Je hoeft alleen maar naar een strandbeest, een duinpanfluitist, iets nieuws te kijken, en je hebt je wereld, de wereld, onze wereld, weer een stukje breder gemaakt.