Links de Koerdische Ali (32) uit Syrië, rechts de Palestijnse Mohammed (24). Foto: DVHN
Ruim 120 asielzoekers verbleven dinsdag op het gras bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Groningen biedt nog een extra nacht opvang, maar overdag liggen sommigen al zes dagen buiten. Basel (34) uit Gaza: „Ik vertel mijn vrouw maar niets.”
Samen met zijn Palestijnse vriend Mohammed (24) loopt de Koerdische Ali (32) uit Syrië als een verslaggever over het gras. In het Arabisch doet hij via TikTok verslag. Hij wijst naar mannen die in het gras liggen te slapen en legt zijn volgers uit wat hier, in het verre Ter Apel, gebeurt.
„Hé, jij daar. Stop met filmen!”, roept een jonge Syriër boos, die niet in beeld wil komen. Vermoeidheid en hitte zorgen her en der voor irritaties. Sommigen slapen, anderen draaien harde muziek, bidden of trappen een balletje. Iedereen probeert de tijd te doden.
De dagen zijn lang voor Ali, die DVHN donderdag ook sprak. „Het is heel zwaar”, zegt hij. „Ze zeiden: maximaal vier dagen buiten. Nu zijn het er zes. Volgens mij ben ik de enige die hier zo lang zit.”
Hij kwam vorige week woensdag aan, de eerste dag van het gecontroleerde deurbeleid van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). De opvang zit vol en vooral kwetsbaren mogen naar binnen. Zijn vriend Mohammed, die tegelijk aankwam, kreeg wel een plek in het aanmeldcentrum. „Ik begrijp er niets van, mij wordt ook niet verteld waarom.”
Overdag zit hij met nieuwe vrienden in het gras te wachten, ’s avonds wordt hij naar de nachtopvang gebracht. De nachten zijn kort, vertelt hij. „Het is daar druk en lawaaierig, slapen is lastig.” Toch probeert hij rustig te blijven. „We willen geen problemen maken. De mensen hier helpen ons. En mijn vrouw zegt: wees geduldig”, vertelt hij. „Ik doe dit voor haar en mijn drie kinderen.”
Voor Ali is het dag zes buiten de poorten van Ter Apel. Foto: DVHN
‘Mijn vrouw weet van niks’
„Hallo, ben je journalist?”, vraagt Basel (34) uit Gaza. Hij wil zijn verhaal delen, maar zonder foto, uit angst voor gevolgen voor zijn asielprocedure.
Vier dagen geleden kwam hij aan in Ter Apel. „Ik werkte als bankier, maar ben alles kwijtgeraakt in Gaza: mijn huis, mijn werk”, vertelt hij. „Ik had een totaal ander beeld van Nederland. Na vier dagen buiten voelt het alsof we alsof we hier minderwaardige mensen zijn.”
Basel vertelt over slapeloze nachten, lange dagen in de hitte, vieze dixies op het terrein en het gedrang bij de badkamers in de noodopvang. „We zitten hier met mensen uit allerlei landen en met verschillende sociale en culturele achtergronden”, zegt hij. „Dat botst soms, zeker omdat iedereen moe is.”
Zijn zwangere vrouw bleef achter in Egypte, waar hij eerder naartoe vluchtte. „Ik heb haar niet verteld hoe het hier is”, zegt hij. „Dan zou ze zeggen dat ik terug moet komen. Maar dat kan niet. Ik zie daar geen toekomst.”
Teleurstellend nieuws
Aan het begin van de avond ligt Ali, tussen tientallen anderen, languit op het gras. Als hij hoort dat er nieuws is, veert hij op. „Mag ik naar binnen?” vraagt hij.
Het nieuws valt tegen: voor de vierde nacht wordt hij naar Groningen gebracht. De noodopvang voor asielzoekers wordt nog zeker één nacht verlengd, mogelijk zelfs een week, terwijl een structurele oplossing uitblijft.
„Nee, echt?” vraagt hij. Dan, met een kleine glimlach: „Misschien kan ik morgen dan naar binnen?”