Moek Samiran en Arlette Dewnarain organiseren het Keti Koti festival in en rond het Kielzog. Foto: Peter Wassing
Duizenden Surinamers trokken in de jaren zeventig en tachtig naar Nederland. Eén ding snappen ze nog steeds niet: ‘Hoe kan het dat niemand onze geschiedenis kent?’ Zaterdag wordt die geschiedenis verteld, herdacht en gevierd tijdens Ketikoti.
In het noorden van Suriname, vlakbij de Atlantische Oceaan, ligt een dorp: Constantia. Het is piepklein en door de bomen slingeren apen. Hier groeide Moek Samiran (68) op.
Aan het begin van de twintigste eeuw werden zijn grootouders van Java (een eiland van Indonesië) naar Suriname verscheept. De slavernij was afgeschaft en de plantages moesten doordraaien. Daarom haalden Nederlanders 74.000 contractarbeiders uit met name India, Java en China. Zij konden op de Surinaamse plantages werken.
Samiran’s jeugd was vredig. Spelen met apen, vissen in de rivier en als er een witte man langskwam dan maakte je een buiging. Hij doet het voor in zijn achtertuin in Hoogezand.
„Waarom doen we dat pa?”
„Zo is het leven jongen. Toon respect voor de ander.”
Op school kreeg Samiran les uit Surinaamse én Nederlandse schoolboeken. De jongen leerde over de Nederlandse provincies, de tachtigjarige oorlog en natuurlijk de verkeersregels: naar links kijken, naar rechts kijken en dan oversteken. Niet dat hij daar veel aan had. Er reed nooit een auto door Constantia. Die zag hij voor het eerst toen hij op zijn twaalfde naar Paramaribo ging om door te leren.
Moeilijke jaren zeventig
Op zoek naar avontuur en een beter leven, kwam hij in 1979 naar Hoogezand. Het ging in die jaren slecht in Suriname. Het land zat in economische problemen en er ontstonden spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen.
Daarom trokken veel mensen (130.000 schrijft De Correspondent) in de jaren zeventig naar Nederland. Een groot deel ervan ging in de Randstad wonen, maar Hoogezand en Delfzijl bleken ook populair. Vooral veel Javaanse Surinamers trokken hiernaartoe.
Grote Surinaamse gemeenschap
De gemeente Midden-Groningen, waar Hoogezand bij hoort, heeft verhoudingsgewijs de grootste Surinaamse gemeenschap van de provincie Groningen. Volgens cijfers van het CBS heeft 2,3 procent van de inwoners een Surinaamse achtergrond.
De gemeenschap is in werkelijkheid groter. De kleinkinderen van Moek Samiran worden al niet meer meegeteld. CBS telt alleen mensen die zijn geboren in Suriname en hun kinderen.
Vooral de Javanen kwamen graag naar Hoogezand en dan specifiek naar één flat: de Bakkieflat. In deze flat aan de Donker Curtiusstraat woonde een grote groep Javanen. Ze kwamen allemaal uit hetzelfde Surinaamse dorp: Bakkie.
Samiran was daar één van. Nog steeds verbaast hij zich wel eens. Wat weten de Nederlanders weinig van hun eigen koloniale verleden. Zijn kameraad Richard Misran (66) zit naast hem in de tuin en vult aan: „De Nederlandse scholieren leren hier niets over.”
Keti Koti in Groningen
Ook Groningen stad viert op 1 juli de afschaffing van de slavernij. Op verschillende locaties, waaronder de Akerk, Groninger Forum en De Oosterpoort zijn lezingen en dansvoorstellingen. Belangrijk thema: de rol van Groningen bij de slavernij.
Op 30 juni is er een herdenking van het slavernijverleden. Dit is voor het eerst in Groningen en het gebeurt op de Ossemarkt. Het programma begint om 18.00 uur en om 20.00 uur zijn er twee minuten stilte.
Ketikoti in Hoogezand
Daarom organiseert hij, samen met een groep anderen, Ketikoti in Hoogezand. In het ‘Huis van Cultuur en Bestuur’ zijn op 1 juli lezingen, optredens, hapjes en documentaires te zien over het koloniale verleden en de Surinaamse gemeenschap in Nederland.
In Amsterdam gaat dit feest (Ketikoti betekent ‘ketenen verbroken’) vooral over de zwarte Surinamers. Zij werden door Nederlanders tot slaaf gemaakt en vervoerd naar de plantages in onder meer Suriname. In Hoogezand trekken de organisatoren het breder. Er wonen nou eenmaal weinig zwarte Surinamers in Hoogezand.
Racisme
„Dit feest is voor de hele Surinaamse gemeenschap.” Aan het woord is Arlette Dewnarain (54) uit Hoogezand. Ze is raadslid voor GroenLinks in Midden-Groningen en mede-organisator van Keti Koti.
Dewnarain kwam in 1975 vanuit Paramaribo naar Hoogezand. Ze was zes toen ze aankwam. Het gezin ging aan de Erasmusweg wonen. Het verging haar en haar familie goed.
Tóch moet het verhaal verteld worden. Haar voorouders werden niet tot slaaf gemaakt, maar de Nederlandse plantagehouders waren, ook na afschaffing van de slavernij, bikkelhard. „Ze werden als bezit behandeld. Als je niet werkte werd je geslagen.” Zelf ziet ze het wel eens terug bij haar familie. „Dat nederige”, noemt ze het.
„Als je dan de verhalen hoort realiseer je: hey, dat komt daar vandaan. Dit ben ik.”