Thije Kinneging schept de poep uit het olifantenverblijf van Wildlands in Emmen bij elkaar. Foto: Boudewijn Benting
In Emmen kunnen ze lampenkappen maken van gerecycled verpakkingsfolie en olifantenpoep. Een van de vele vernuftige kunstjes met duurzame plastics. Probleem is allleen: hoe krijg je het rendabel? Daarbij probeert de Greenwise Campus te helpen.
Greenwise Campus in Emmen wil – in samenwerking met diverse partijen – met het project plesTic Ready inventariseren tegen welke uitdagingen en obstakels ondernemingen in Noord-Nederland aanlopen en hoe ze geholpen kunnen worden bij het ontwikkelen en op de markt brengen van duurzame, circulaire kunststoffen.
Greenwise Campus werkt als penvoerder in het project plesTic Ready nauw samen met bedrijven, kennisinstellingen en overheden. Deze brede samenwerking zorgt voor een krachtige mix van kennis, netwerk en uitvoeringskracht, met een gezamenlijke ambitie: Noord-Nederland positioneren als koploper in circulaire en biobased plastics.
Wat is plesTic Ready en wie werken er aan mee?
Het consortium achter plesTic Ready bestaat uit Greenwise Campus, NHL Stenden, Hanzehogeschool Groningen, Rijksuniversiteit Groningen, bedrijvencollectief SUSPACC, Circulair Groningen Drenthe, Vereniging Circulair Fryslân, de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen en de gemeenten Emmen en Heerenveen. Greenwise Campus is penvoerder van het project.
plesTic Ready is een project binnen het programma EFRO Noord-Nederland 2021–2027 en wordt mede mogelijk gemaakt door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.
Uitdagingen en belemmeringen
De zeven letters van het woord plesTic – een heel toepasselijke naam – vertegenwoordigen de zeven gebieden waarop Greenwise Campus en haar samenwerkingspartners de grootste uitdagingen en belemmeringen verwachten bij het verduurzamen van de kunststofindustrie, legt Martijn Beljaars uit. Hij is projectleider van plesTic Ready en vervult deze rol vanuit de programmalijn Greenwise Circular Plastics.
Technologie is vaak niet de bottleneck, maar het in de markt zetten van duurzame plastics vraagt om een multidisciplinaire aanpak. „We zetten in op een slimme, brede aanpak die niet alleen kijkt naar techniek, maar ook naar zaken als wetgeving, logistiek, geld, gedrag en ontwerp. Het zijn de gebieden die minder bekend zijn, maar die wel een rol spelen bij het in de markt zetten van een innovatief product. Daar ligt onze hoofdfocus”, aldus Beljaars.
Vraaggedreven
De letters plesTic staan voor de gebieden Policy, Logistics, Economics, Social Acceptance, Technology, Innovative design, Corporate/Community. „We werken vraag gedreven. We kijken wat er speelt in duurzaam Noord-Nederland en waar ondernemers tegenaan lopen. Soms zijn het meerdere partijen die tegen dezelfde zaken aanlopen en dan gaan we die combineren.”
De zeven letters van PlesTic
Politics: Bijdragen en meewerken aan veranderende wet- en regelgeving, beleid en vergunningen om een circulaire kunststofketen mogelijk te maken. Van lokale tot Europese
Logistic: Het duurzaam organiseren van de grondstoffenketen met onderbouwende Life Cycle Assesments (LCA’s) om circulaire productie mogelijk te maken.
Economics: Gedeelde economische uitdagingen aankaarten die een haalbare circulaire kunststofindustrie in de weg staan, zoals een ongelijk speelveld of moeilijk te financieren innovaties.
Social Acceptance: Nieuw gedrag stimuleren en omarmen wat bijdraagt aan een circulaire kunststofketen.
Technology: Processen ontwikkelen en opschalen om kunststoffen te recyclen en/of uit hernieuwbare bronnen te produceren met behoud of verbetering van de materiaaleigenschappen.
Innovative design: Al tijdens het ontwerp van producten rekening houden met de mogelijkheid tot hergebruik of recycling, zodat ze niet nodeloos verbrand worden, maar in de materiaalkringloop blijven.
Corporate & Community: Een organisatie en governance inrichten die flexibel inspeelt op ontwikkelingen, met de juiste schaal, werkwijzen, teams, kennisontwikkeling en ketensamenwerking.
Zo zijn er al verschillende projecten opgezet rondom het ontwikkelen van circulaire plastics en het vergroten van het verdienmodel voor bedrijven aan de hand van de plesTic-aanpak. „Per letter wordt een schaalverdeling gemaakt om te laten zien hoe ver dat deelgebied nog afligt van de markt, welke uitdagingen er liggen, welke expertise daarbij hoort en wat er zou moeten gebeuren om de technical readiness level (TRL) te vergroten.”
Om de kunststofindustrie te verduurzamen volgt plesTic Ready gelijktijdig twee routes: recycling van bestaande kunststoffen en gebruik van bio-gebaseerde grondstoffen. Beljaars licht beide routes toe aan de hand van een project.
Martijn Beljaars bij de broodafdeling van een lokale supermarkt om verpakking in te zamelen waarvan weer nieuw folie wordt gemaakt. Foto: Boudewijn Benting
Hergebruik verpakkingsplastic
Ten eerste het REPACK+ project, waarbij in nauwe samenwerking met een aantal grote supermarkten onderzocht wordt hoe verpakkingsfolie hergebruikt kan worden. „Door de huidige wet- en regelgeving wordt er bij voedselcontact toepassingen veel plastic weggegooid en mogen er alleen virgins – nieuw en ongebruikt plastic – gebruikt worden. Dit is ooit bedacht vanuit het kader van voedselveiligheid. Tegenwoordig kan hergebruik veilig, maar dan moet hiervoor wel de regelgeving worden aangepast (P van Policy).”
De inzet van het REPACK+ project is om te kijken hoe de plastic materialen – ook van bigbags uit professionele bakkerijen – kunnen worden hergebruikt. Zo worden grote kratten vaak afgedekt met folie bij supermarkten afgeleverd. Dit folie en de bigbags worden op het moment in grote hoeveelheden weggegooid.
Dat kan anders, vindt Beljaars. „Onze inzet is om dit plastic, dat goed te traceren is naar de supermarkten of professionele bakkerijen, te hergebruiken. We halen nu samples op bij enkele grote supermarkten. Er worden testen gedaan waarbij het plastic wordt teruggehaald, gereinigd en opnieuw gebruikt. Natuurlijk zijn hier strenge eisen aan verbonden. Met name als het gaat om hergebruik in de voedselindustrie. Zo moeten ze een zogenaamde foodcontact approval krijgen in de vorm van een certificaat. Als dit niet lukt dan kunnen we in ieder geval de circulaire plastics hergebruiken voor niet-voedseltoepassingen.”
Martijn Beljaars toont een van de lampenkappen die uit de 3D-printer komt. Foto: Boudewijn Benting
Plastic van planten
Een tweede project van plesTic Ready is het gebruik van olifantenpoep bij het maken van lampenkappen. „Hierbij werken we nauw samen met Wildlands in Emmen en wordt bio-gebaseerd materiaal in combinatie met bioplastics als PLA en PHA gebruikt. PLA zijn plastics gemaakt van planten en bij PHA wordt bij de productie bacteriën gebruikt”, legt Beljaars uit.
Om de lampenkappen te maken worden de vezels uit de olifantenpoep gedroogd, gemalen en gezeefd. Vervolgens wordt dit gemengd met PLA of PHA, wat vervolgens in een 3D-printer wordt gestopt om er een lampenkap van te maken.
Door het kleine spuitmondje van de 3D-printer kunnen er alleen heel fijne vezels van de olifantenpoep gebruikt worden. „Hierdoor kunnen er geen grote concentraties gebruikt worden en is de lampenkap slechts voor 10 tot 15 procent opgebouwd uit olifantenpoep. Bij het persen van plastic platen kan dit oplopen tot zo’n 30 tot 40 procent.”
Bij WILDnights in de donkere maanden december en januari konden een vijftigtal lampenkampen bewonderd worden tijdens de ‘lampenkaproute’. De kappen werden deels gemaakt van oud verpakkingsplastic zoals patatbakjes en drinkbekers uit het dierenpark Wildlands in combinatie met de olifantenpoep. Wetenschappers van NHL Stenden hebben dit verwerkt tot biobased plastic en er een nieuw product van gemaakt.
Martijn Beljaars toont de gemalen olifantenpoep (in aluminium bakje rechts) en hergebruikt verpakkingsfolie voordat het in de 3D printer een lampenkap wordt. Foto: Boudewijn Benting
Kip en ei
Omdat het maken van circulair materiaal meer geld kost en virgin materiaal goedkoper is, is er op het moment nog weinig ruimte voor de duurzame initiatieven, is de sombere conclusie van Beljaars. „Ten eerste sta je al 1-0 achter door de hogere kostprijs, die tot wel 25 procent hoger kan liggen. De onvoldoende vraag leidt er bovendien toe dat je de productie niet kunt opschalen. Geen vraag, betekent geen aanbod en zo blijft er geen vraag komen. Het is het kip-en-eiprobleem”, zo verklaart Beljaars de moeilijkheden van bedrijven met duurzame initiatieven op de markt.
Een belangrijke stimulans om de positie van circulaire initiatieven te versterken zou het invoeren van een bijmengverplichting vanuit Brussel zijn, vindt Beljaars. „Er zijn Europese regels in de maak, maar die laten op zich wachten. Die regel houdt in dat er een verplichting komt om minstens 10 procent gerecycled materiaal te gebruiken bij de productie van materialen. Zolang Europa die bijmengverplichting niet doorvoert, is er geen stimulans voor producenten om gerecycled inputmateriaal te maken. Niemand durft het eerste risico te nemen. Bovendien heb je de concurrentie van traditionele producten uit China. Ook hier heb je het probleem van vraag en aanbod en het kip en ei probleem. Het staat en valt dus met de Europese wet- en regelgeving.”
In een ideale wereld zou 100 procent van het ingezamelde materiaal gerecycled kunnen worden, maar zonder de nodige beleidsondersteuning vanuit Europa gaat dat niet lukken, vreest Beljaars. „Europa vormt een groot economisch blok. Zij kunnen het probleem van het kip en ei vlot trekken, waardoor het marktaandeel van circulaire producten kan groeien. Niet alleen bij de interne productie, maar dezelfde regels gelden dan ook voor goederen die Europa worden ingevoerd. Alleen het Europabreed invoeren van de bijmengverplichting biedt ondernemers de benodigde kansen om van bestaande en nieuwe innovaties op het gebied van duurzame plastics een succes te maken op de markt.”
Thije Kinneging schept de olifantenpoep bij elkaar, een grondstof voor lampenkappen. Foto: Boudewijn Benting