Herman Braaf in 2017: ,,De ochtend nadat alle Joden uit hun woningen waren gehaald, stond de overbuurvrouw gewoon de stoep te schrobben.’’ Foto: Gerrit Boer
Als, als, als? Zulke vragen spoken nog regelmatig door het hoofd van Herman Braaf (86). In de dagen rond de deportatie van vrijwel alle Joden in Noord-Nederland, maandag 75 jaar geleden, kroop de oud-Hoogevener vele malen door het oog van de naald. Dankzij drie personen.
Drie keer in zijn leven heeft voormalige Hoogevener Herman Braaf (86) letterlijk doodsangsten uitgestaan. In de Zesdaagse Oorlog in 1967, toen om hem heen verschillende strijdmakkers uit het Israëlische leger het leven lieten toen ze onder vuur werden genomen door Jordaniërs. ,,Ik wilde de grond in om te schuilen, maar we konden nergens naartoe.’’ In Vries, toen zijn onderduikadres werd omsingeld door dertig, veertig politieagenten. ,,Die kwamen mij halen, wist ik zeker.’’ En op 2 oktober 1942, toen vrijwel alle vierduizend Joden uit de drie noordelijke provincies naar Westerbork werden weggevoerd. ,,We hebben ontzettend veel geluk gehad dat we niet gepakt zijn. Dat ik hier nu zit, heb ik te danken aan drie mensen die ons geholpen hebben.’’ Een intelligente tante, een Groningse politieman en een huisvriend.
‘Ik wist als jochie in ’43 al van de gaskamers’
Het leven voor de oorlog was voor Braaf als ieder ander jochie in Hoogeveen. Hij woonde met zijn ouders in de Stationsstraat. Zijn vader was veehandelaar, zijn moeder huisvrouw. Zij had net als hij blond haar, wat niet vaak voorkomt bij Joden. ,,Ik schat dat de Joodse gemeenschap in Hoogeveen uit zo’n 180 personen bestond. Ik ging iedere week een ochtend naar de Joodse school, maar mijn ouders waren niet volop met het geloof bezig. Ze gingen zeker niet iedere week naar de synagoge. Ik had vooral ook niet-Joodse vriendjes.’’
Op 10 mei 1940 speelde hij met de dochter van de bankdirecteur op straat toen ze even verderop een menigte zagen. ,,Onze vaders stonden er ook bij, zagen we toen we er naartoe liepen. Ga maar naar huis jongen, want de oorlog is uitgebroken. Dat zei hij tegen mij. Oorlog? Wij wisten niet wat dat betekende. Maar een dag later trokken Duitse militairen langs, met in de stoet ook een paard zonder ruiter. O, die is eraf geschoten, verklaarde mijn vader.’’
Braaf kan nog de vernedering voelen toen hij in 1941 voor het eerst de Jodenster moest dragen. Wat zouden zijn klasgenoten wel niet zeggen, de volgende dag op school? ,,Maar niemand zei wat. Ik was er snel aan gewend.’’ Een jaar later moesten de meeste mannen tussen 18 en 55 jaar naar werkkampen. ,,Mijn vader lag vaak in het ziekenhuis vanwege suikerziekte. Hij hoefde niet. Mijn moeder was nooit zo bang voor die werkkampen. Dan ga ik daar toch naar toe om te werken als het moet, zei ze dan. Maar een tante die heel intelligent was waarschuwde haar. Dit is niet goed, wist ze. We móesten van haar onderduikadressen regelen. Pas na meerdere aanmaningen begon mijn moeder er toch maar werk van te maken.’’
De tante liet het niet bij die waarschuwing. Ze ging naar het politiebureau in Hoogeveen om haar vrees uit te spreken dat de hele Joodse gemeenschap opgepakt zou worden. ,,Ze trof een jonge agent uit Groningen, die haar probeerde gerust te stellen. Zo’n vaart zou het immers niet lopen. Onze tante had bedacht dat als het zover was, de burgemeester en de politie in ieder geval op de hoogte zouden zijn gebracht. Daarom vroeg ze de agent haar in dat geval te waarschuwen. Dat beloofde hij. Als een Groninger dat zegt, dan houdt hij zich eraan.’’
Op vrijdag 2 oktober 1942 was de tante blijkbaar gewaarschuwd, want ze kwam aan de deur om Herman en zijn moeder te behoeden voor het naderende onheil. ,,We vonden onderdak bij onze buurvrouw. Vader lag in het ziekenhuis. We hebben die nacht heerlijk geslapen. Niets kregen we mee van alle Joden die uit hun huizen werden gehaald. ’s Ochtends ontbeten we gewoon thuis. Omdat het sjabbat was mét een eitje, want dat kregen we een keer in de week.’’
Maar het ontbijt werd ruw verstoord door een huisvriend uit Fluitenberg. ,,‘Aaltje, je bent in levensgevaar’, riep hij ontzet uit. ‘Jullie moeten onmiddellijk weg!’ Mijn moeder stribbelde nog wat tegen, onwetend immers van wat er die nacht was gebeurd. Maar hij greep mij bij de schouder en mijn moeder bij haar arm. Hij sleurde ons mee naar de buren. Net op tijd, want een paar minuten later doorzochten Nederlandse agenten ons huis. Ze wisten dat we daar net waren geweest, want de thee en het gekookte eitje stonden nog op tafel. We hebben ze zó horen schreeuwen. Doodsbang was ik. We verstopten ons in een kleerkast. Gelukkig kwamen ze niet naar het huis van de buren.’’
Braaf werd op de tram gezet naar Valthermond, waar zijn moeder een onderduikadres had geregeld. Toen de huisvriend zijn moeder kwam halen uit de woning van de buurvrouw, liepen ze vrijwel meteen ‘de grootste NSB’er van Hoogeveen’ tegen het lijf, zoals Braaf hem omschrijft. ,,Maar die zei niets. Onze huisvriend vertrouwde het niet, en in plaats van naar zijn huis in Fluitenberg te gaan bracht hij mijn moeder naar een kennis in Beilen. Toen hij thuiskwam, zat de politie hem al op te wachten. Ze waren dus toch verraden. Maar onze huisvriend hield zijn kaken stijf op elkaar: hij zei mijn moeder niet te kennen.’’
Braaf kwam de oorlog door op in totaal zes onderduikadressen in Drenthe. In Leggeloo, waar hij door de dominee uit Dwingeloo nog werd gevraagd een christelijke jongen te worden, had hij ‘een geweldige tijd’. Op het platteland was de oorlog ver weg; hij kon als een normale jongen leven en ging zelfs soms naar school. Wat daarbij hielp was zijn blonde haar: hij viel niet op.
In Vries zaten hij en zijn moeder bij een familie van wie de man in het verzet zat. Daar lazen ze verzetskrant . ,,Daarin las ik voor het eerst over de gaskamers. In 1943 was dat. Het gelijk van mijn tante.’’
Maar ook daar moesten ze weg, na ’s nachts omsingeld te zijn door dertig, veertig Nederlandse politieagenten. ,,Dit is het einde, dacht ik. Maar ze kwamen voor de man des huizes, die zich had verstopt.’’ Ze kwamen op Braafs slaapkamer, waar hij zich slapende hield, het hart bonkend in zijn keel. ‘Dat is een jochie, laat maar slapen’, hoorde hij iemand zeggen. ,,Mijn moeder en de vrouw des huizes moesten er alles aan doen de agenten te overtuigen dat hun mannen in Duitsland aan het werk waren gesteld. Wat moeten jullie toch van ons, wierpen ze hen voor de voeten. ‘Help ons liever aan bonkaarten, want we hebben niets meer.’ Ze slaagden in hun opzet de agenten weg te krijgen.’’
Op het onderduikadres in Zuidlaren zag hij de Canadezen binnentrekken. ,,Ge-wél-dig! Wat waren we blij.’’ Zijn moeder huurde nog een huisje aan het Zuidlaardermeer, temeer omdat er nog geen vervoer was. ,,Uiteindelijk konden we toch terug naar huis. Met een auto waarvan de voorkant af was, met daarvoor in de plaats een paard, zijn we naar Hoogeveen gegaan. Waar ons huis bewoond bleek te worden door NSB‘ers, die pas later vertrokken.’’
Wat Braaf na de oorlog het meeste stak is de onverschilligheid die hij trof. ,,Nooit heeft iemand mij gevraagd waar ik toch al die tijd was in de oorlog. Die periode werd volkomen genegeerd. Alsof er niets was gebeurd. Dat was in de oorlog natuurlijk ook al zo. De ochtend nadat alle Joden uit hun woningen waren gehaald, stond de overbuurvrouw gewoon de stoep te schrobben.’’
Net als zijn vader werd Braaf veehandelaar. ,,Een succesvolle, mag ik wel zeggen. Maar ik was veel liever veearts geworden.’’ In 1957 trouwde hij. In 1965 emigreerde het stel naar Israël. ,,Maar ieder jaar komen we nog terug naar Nederland.’’ Ze spreken beiden nog perfect Nederlands. Zijn vrouw luistert stilzwijgend mee met het gesprek. Af en toe geeft zij hem een bemoedigend knikje. Zij heeft haar eigen verhaal, net als andere Joden die de oorlog wel hebben overleefd.