Menno Walters (links) en Kees Greeven zitten vol verhalen over gevangenisdorp Veenhuizen. Foto: Marcel Jurian de Jong
Kees Greeven en Menno Walters groeiden samen op in het gesloten gevangenisdorp Veenhuizen. Ze haalden kattenkwaad uit met rechercheurs, werden geknipt door gevangenen en hadden een beruchte oorlogsmisdadiger als tuinman. ‘Voor ons was dat leven heel normaal.’
„Als Smit en Prins dit konden zien, zouden ze zich omdraaien in hun graf.”
Met een brede grijns op zijn gezicht probeert Menno Walters (83) op een oude, zwarte fiets te klimmen. Zijn goede vriend Kees Greeven (84) rijdt ondertussen al rondjes voor de grote elektriciteitscentrale van Veenhuizen, waar de fietsen staan opgeslagen. „Nee, hier hadden ze niet om kunnen lachen.”
Smit en Prins. Noem die namen en de ogen van Menno en Kees beginnen te glinsteren. De twee rechercheurs van Veenhuizen fietsten in de jaren 50 en 60 al speurend naar onraad door het dorp. Meer dan eens eindigde een ontmoeting met hen in een kat-en-muisspel, want Kees en Menno deden niets liever dan deze rechercheurs het leven zuur maken.
„Het is ons nog altijd onduidelijk wat precies de taak van die twee was, want ze hoorden eigenlijk in het circus thuis”, zegt Menno. „Hun ronde door het dorp moest zo lang mogelijk duren, dus ze wachtten steeds net zo lang tot ze bijna stilvielen, voor ze de volgende trap op de pedalen gaven.”
Zoons van commandant en predikant
Wie luistert naar de verhalen over de jeugd van Menno en Kees, heeft soms het gevoel in een aflevering van Swiebertje te zijn beland, over de zwerver die weer eens mot heeft met veldwachter Bromsnor. Menno en Kees groeiden samen op in gevangenisdorp Veenhuizen, dat tot 1983 was afgesloten van de buitenwereld. Alleen medewerkers van justitie en hun gezinnen mochten er wonen.
Zo kon het dat Menno in 1942, toen hij net een paar maanden oud was, in Veenhuizen terecht kwam, waar zijn vader was benoemd tot commandant van het Korps Gestichtswacht en verantwoordelijk werd voor de bewaking en het toezicht op de gevangenen. In 1951 kwam ook Kees er wonen. Zijn vader werd aangesteld als gestichtspredikant en preekte iedere zondag voor een kerk vol met gedetineerden.
Gevangenismuseum bestaat twintig jaar
Het Gevangenismuseum in Veenhuizen viert dit jaar dat het twintig jaar bestaat op de huidige plek, in het voormalige Tweede Gesticht. Al die jaren zijn Menno Walters en Kees Greeven al vrijwilliger, hoewel Menno onlangs is gestopt. Tijdens rondleidingen vertelden zij jarenlang niet alleen over de geschiedenis van Veenhuizen, maar putten zij ook uit hun eigen leven en alle belevenissen uit hun jeugd in het afgesloten gevangenisdorp. Voor DVHN wilden ze die anekdotes graag nog een keer vertellen.
Nu, een mensenleven later, staan Menno en Kees op de brug over het kanaal. Vanaf deze plek kunnen ze de huizen zien waarin zij opgroeiden. Kees in de voormalige dokterswoning ‘Humaniteit’, Menno woonde in ‘Huis en Haard’.
„Dat je een woning kreeg als je in Veenhuizen werkte, was mooi, maar had ook een keerzijde”, zegt Kees. „Ik weet nog dat van een van de gezinnen de vader, die voor justitie werkte, kwam te overlijden. Moeder bleef achter met negen kinderen en zij moesten hun woning verlaten in een tijd van grote woningnood. Je wist dat het kon gebeuren, maar op het moment dat het zover is, komt het keihard aan. Dat was een drama voor dat gezin.”
Aangeharkte tuintjes
Veenhuizen moet in die jaren het best aangeharkte dorp van Nederland zijn geweest. Gevangenen, veelal kleine criminelen of landlopers, genoten veel vrijheid en pleegden onderhoud aan de begraafplaats, de plantsoenen en ook de tuinen van de medewerkers werden tiptop in orde gehouden.
Menno en Kees met de fietsen van de rechercheurs waar zij vroeger zoveel mot mee hadden. Foto: Marcel Jurian de Jong
„Voor mijn moeder was dat wennen hoor”, zegt Menno. „In Assen stookte en kookte ze op gas, in Veenhuizen moest dat weer op ouderwetse turf. En een waterleiding en wc hadden we ook niet. Iedere dag kwam er een gevangene langs met schoon drinkwater en ook de volle ton werd opgehaald.”
Nieuwe bewoners van het dorp leerden snel dat de gevangenen in ruil voor hun diensten een fooi verwachtten in de vorm van chocola of een sigaret. „Anders kwam er per ongeluk net iets over de rand van die wc-pot op de mat of op de stoelen in de woonkamer terecht. Dat rook je dan wel hoor”, lacht Menno.
Kees ging naar de christelijke school, Menno naar de openbare. Dat weerhield hen er niet van om na school altijd met elkaar op pad te gaan. Ze speelden op een aangelegde stormbaan voor dienstweigeraars, bouwden hutten en visten in het kanaal. Of haalden kattenkwaad uit, zoals toen zij eens met een groep jongens carbid hadden gekocht in Norg.
Terwijl Menno zijn auto richting Groot Bankenbosch stuurt, vertelt hij hoe zij hier al die jaren geleden een stunt uithaalden met dat carbid.
„Hier stonden destijds een stuk of tien barakken, het was net een concentratiekamp. Hierin zaten Indië-weigeraars, jongemannen die weigerden om in Indonesië te vechten. Toen wij dat carbid lieten afgaan, dachten de bewakers dat er een opstand was. Die schrokken zich helemaal wild.”
Het was niet de enige keer dat Menno en Kees in aanvaring kwamen met de gestichtwachters. En ook met Smit en Prins had het duo altijd mot, komt Menno terug op de rechercheurs. „Als wij wat uitgehaald hadden, deden ze meteen hun beklag bij onze ouwelui of bij hun baas. Dat vonden wij niet leuk, natuurlijk.”
Menno Walters (links) en Kees Greeven zitten vol verhalen over gevangenisdorp Veenhuizen. Foto: Marcel Jurian de Jong
Om ze terug te pakken heeft Kees eens een ophaalbrug omhooggehaald, vlak voordat een van de rechercheurs eraan kwam. En omdat die brug maar aan een kant opgehaald kon worden, moest hij vloekend een heel eind omfietsen. „Hij heeft nooit geweten dat ik het was”, lacht Kees. „Wij doken snel het bos in.”
‘Het zijn gewoon mensen’
De gestichtswacht, die altijd patrouilleerde in en rond het dorp, zorgde ervoor dat niemand het dorp in kon zonder geldige papieren. Bezoek moest altijd een vergunning aanvragen om langs te kunnen komen. En hoewel het heel soms voorkwam dat iemand ontsnapte, kwam dat volgens Kees en Menno weinig voor.
„Een keer heb ik het gezien”, weet Menno nog. „Ik zat zondags te vissen toen vanuit de kerk een groep gevangenen in colonne langsliep. Ineens ging een auto heel langzaam naast die colonne rijden, de deuren sprongen open en met veel geschreeuw werd een van die kerels uit de groep in de auto getrokken. Weg waren ze.”
Dat alles gebeurde voor het huis van rechercheur Smit. „Als de kerk uit ging, dan zat hij de krant te lezen met daarin een groot gat, zodat hij alles in de gaten kon houden. Zo zag hij ook deze ontsnapping. Hij sprong wel op, maar het duurde wel 10 minuten voor hij op zijn motor richting Assen reed. Ze vonden later een Belgisch nummerbord in een sloot, maar verder hebben ze nooit meer iets van die ontsnapte gevangene gehoord.”
Menno Walters op de brug over het kanaal in Veenhuizen. Op de achtergrond is het huis te zien waarin hij opgroeide. Foto: Marcel Jurian de Jong
Veruit de meeste gevangenen in Veenhuizen bleven netjes waar ze waren en dachten er niet over te ontsnappen. „Mensen kwamen vaak juist weer terug”, zegt Kees. „Als iemand weer in zijn eigen omgeving kwam, dan werd hij met de nek aangekeken. Hier kregen ze een taak, zoals het onderhouden van de tuinen, en hoorden ze erbij. ‘Hé tuinman, ziet er weer netjes uit’, hoorden ze dan. Die mensen gedijden hier beter dan buiten.”
Ook de kinderen leerden volgens Kees dat de gevangenen net zo waren als ieder ander. „Wij vonden het heel gewoon dat zij door het dorp liepen. Mijn broer heeft bijvoorbeeld zijn eerste judolessen gehad op het grasveld bij ons voor het huis, van een gevangene. Dat kon in die tijd allemaal.”
Jongetje vermoord
Ging het dan nooit mis? Bijna niet, maar een dieptepunt in de geschiedenis van het gevangenisdorp vond plaats in 1952, toen een plaatsgenootje van Kees en Menno werd vermoord door een landloper die in het dorp werd opgevangen.
„Hij zat bij mij op school”, vertelt Menno, die zich het drama nog goed kan herinneren. „Ik zat bij mijn vader achterop de motor toen wij staande werden gehouden met dit nieuws. Ik moest gelijk wegwezen en mijn vader is naar de plaats delict gegaan.”
De moord was een flinke schok voor het dorp. „Het ging zeer waarschijnlijk om een zedendelict, want er werd ook sperma gevonden. Ze zeggen dat de dader gecastreerd is. Maar of dat waar is, weet ik niet.”
Je zou denken dat er naar aanleiding van deze gebeurtenis zaken veranderden in Veenhuizen, dat de angst toesloeg. Niets was minder waar, zegt Kees. „Al die jaren was er nooit iets erg gebeurd, dit was een uitzondering. Bovendien had zoiets elders in de maatschappij ook kunnen gebeuren. Er werd nooit meer over gesproken en men ging door. Wij als kinderen zijn zelf ook nooit bang geweest.”
Een van de ‘vier van Breda’ als tuinman
De meest bijzondere gevangenen in de 20ste eeuw waren de zogenoemde politieke delinquenten, de oorlogsmisdadigers. Daar zaten ook zeer beruchte Duitsers bij, zoals Jodenjager Franz Fischer. Hij was ter dood veroordeeld, maar koningin Juliana was tegen de doodstraf en zette de straf via gratieverlening om in levenslang.
„Fischer deed bij ons de tuin”, zegt Menno. „Ik mocht me niet met hem bemoeien, maar alles dat verboden was, moest je natuurlijk nader onderzoeken. Hij bleek heel aardig en toen ik dat tijdens het eten een keer zei, begon mijn vader natuurlijk enorm te mopperen. ‘Snap je dat nou, dat zo’n hond van een vent toch nog menselijke eigenschappen blijkt te hebben?’, vroeg hij zich dan hardop af. Hij baalde er enorm van dat juist die man de tuin bij ons moest doen.”
Kees Greeven woonde met zijn familie in 'Humaniteit', de voormalige dokterswoning. Foto: Marcel Jurian de Jong
Dat Fischer en andere Duitsers nooit ontsnapten, heeft volgens Kees te maken met hun eergevoel. „Ze kregen van de directeur dezelfde vrijheid als de anderen, als ze hun erewoord zouden geven niet weg te lopen. Het erewoord was voor hen heel belangrijk.”
Dat bleek wel toen een grote groep oorlogsmisdadigers op last van de minister alsnog werd overgeplaatst naar de zwaarbeveiligde gevangenis in Breda. Ook Fischer, de tuinman van Menno’s familie. Daar zou hij bekend worden als één van de ‘Vier van Breda’.
„Die Duitsers voelden zich daar niet meer verbonden aan hun erewoord en zeven van hen hebben tijdens een kerstdiner de benen genomen”, weet Kees. „En dat terwijl er hier nooit eentje was ontsnapt. Toen men in Veenhuizen van de ontsnapping hoorde, had men toch wel wat leedvermaak.”
Zowel Menno als Kees hebben na het verlaten van het ouderlijk huis nooit meer in Veenhuizen gewoond. Terug willen ze niet, maar ze rijden nog altijd met veel plezier vanuit Assen en Norg naar hun vroegere dorp. „Veel is veranderd ten opzichte van toen, maar de verhalen blijven mooi”, vindt Kees. Menno knikt. „Veenhuizen is en blijft een heel bijzonder dorp.”
Hoogstgeplaatste Duitse militair zat in Veenhuizen
Ook generaal Friedrich Christiansen, de hoogstgeplaatste Duitse militair in Nederland tijdens de bezetting, zat na de oorlog een tijdje vast in Veenhuizen. Ook over hem zitten Kees en Menno vol verhalen.
Zo weet Menno nog dat de Duitse officieren hun uniform aan mochten houden en dat Christiansen weigerde om in een slaapkooi te slapen bij de rest. „Dat was volgens hem niet overeenkomstig de Conventies van Genève. Ze wisten niet hoe gauw ze van drie kooien één moesten maken, en daar sliep hij in. Dus hij kreeg het nog voor elkaar ook. Ze waren bang voor hem, de man had een bepaald charisma over zich en straalde een en al gezag uit.”
Lang zat Christiansen niet in Veenhuizen. „Toen hij hier wegging, eiste hij dat hij werd uitgezwaaid door de directie, inclusief hun vrouwen. En wat gebeurde er? Ze stonden er allemaal. De dames kregen een handkus van de generaal, en weg was hij.”
In Den Haag kreeg men over deze behandeling te horen en de directeur werd volgens Menno overgeplaatst naar een gevangenis elders in het land.
De elektriciteitscentrale
De voormalige elektriciteitscentrale van Veenhuizen is nog altijd de grote liefde van Kees Greeven, die nog geregeld rondleidingen geeft door het gebouw.
De centrale werd in 1912 in gebruik genomen, maar diende al snel alleen als noodaggregaat. „In de oorlogsperiode heeft de centrale nog stroom geleverd aan het Wilhelmina Ziekenhuis Assen en de kazerne in de hoofdstad.”
In latere jaren voorzag de centrale alleen nog de Esserheem van noodstroom. „Toen Feyenoord in 1975 in de Europacup tegen Ipswich speelde, keken de gevangenen met z’n allen naar die wedstrijd”, zegt Kees. „Ineens viel de stroom uit in Veenhuizen. Het werd bijna een opstand, want ze dachten dat dat bewust werd gedaan. Toen moest de technische dienst heel snel naar de noodvoorziening in de elektriciteitscentrale om alles weer in orde te maken. Dat lukte en terwijl de rest van Veenhuizen nog in het donker zat, konden de gevangenen verder kijken. Dat was de allerlaatste keer dat de centrale gedraaid heeft.”
De elektriciteitscentrale van Veenhuizen. Foto: Marcel Jurian de Jong
Boek over bajesklanten
Titel: Uit de bajes
Auteur: Clemens van den Brink
Uitgeverij: Noordboek Prijs: 24,90 euro (256 blz.)
Deze zomer is een boek uitgekomen van Clemens van den Brink (85), die als zoon van een bewaker opgroeide in Veenhuizen. In Uit de Bajes vertelt hij over bekende gevangenen zoals Cor van Hout. Die kreeg het voor elkaar dat er een zwembad op het terrein van Norgerhaven werd aangelegd. „Dat zwembad werd overigens snel weer afgebroken toen Jusititie in Den Haag erachter kwam”, zegt Van den Brink. „Ik vind het belangrijk dit soort bajesverhalen naar buiten komen. Ik wil de mens laten zien achter de gevangene.”