Moeder Miranda, baby Davey en kraamverzorgster Ina. Foto ter illustratie. Foto: André Weima
Bij meerdere partijen in de Tweede Kamer groeit de zorg over de staat van de kraamzorg in Nederland. Door een aanhoudend tekort aan kraamverzorgers en een toenemende werkdruk komt de ondersteuning van pasgeborenen en jonge gezinnen steeds vaker in de knel. Hoe merkbaar is dat in de regio, en kampen kraamzorgorganisaties hier eveneens met tekorten en hoge werkdruk?
Kamerlid Sarah Dobbe van de SP, die dinsdag een vijfpuntenplan voor de kraamzorg heeft gepresenteerd, waarschuwt dat de kraamzorg dreigt te verdwijnen als er niet wordt ingegrepen. Volgens haar is de uitstroom van personeel groot door de hoge werkdruk en het lage loon: „Je kunt er bijna niet van rondkomen.”
„De zorgen die in de Tweede Kamer worden uitgesproken, herkennen wij in grote lijnen. De hoge werkdruk in de sector is een bekend probleem”, begint Lianne Metselaar van Petit Kraamzorg Hoogeveen en Assen. „Personeelstekorten, vergrijzing binnen deze sector en toenemende zorgzwaarte spelen daarbij een grote rol. Maar wij zien de huidige situatie niet als een reden waarom kraamzorg zou verdwijnen, maar als een duidelijke oproep om het anders te organiseren, toekomstbestendig, professioneel en met aandacht voor zowel gezin als kraamverzorgende.”
Bestuurder Zus Berger van de Kraamvogel en KraamZus, met meer dan duizend kraamverzorgenden in het hele land, vertelt eveneens dat er een groot tekort is aan kraamverzorgenden en dat de werkdruk hoog is. Wel moet er volgens haar breder gekeken worden dan alleen deze sector: „In heel Nederland zijn er bij verschillende sectoren personeelstekorten. Het is dus niet zo gek dat dit in de kraamzorg ook het geval is. Maar in het noorden vallen de wachtlijsten nog wel een beetje mee. Soms lopen ze in de zomer iets op, omdat we dan meer baby’s zien en de helft van de kraamverzorgers vakantie wil. Daardoor is het in die periode altijd wat krapper. Maar in het zuiden en westen van het land is het personeelstekort een stuk hoger, daar ben je al blij als je überhaupt zorg krijgt.”
Zzp’er Tineke Eulen van Kraamzorg Tineke biedt jaarlijks aan zo’n tien jonge gezinnen kraamhulp. Hoewel ze geen hinder heeft van personeel dat weggaat of zelf een te hoge werkdruk ervaart, begrijpt ze de zorgen: „Ik hoor zelfs geregeld dat gezinnen geen kraamzorg kunnen krijgen. Hoe dat in de toekomst gaat verlopen, moeten we nog maar zien. Want wanneer ik binnen mijn zzp‑groep kijk, zie ik dat er in verhouding veel oudere kraamverzorgenden zijn die binnen nu en vijf jaar gaan stoppen.’”
Jongeren
Bestuurder Berger ziet dit ook binnen haar organisatie: „Ons personeel is relatief oud, dus we moeten echt jonge mensen aantrekken. Maar door de onregelmatigheid kiezen jongeren tegenwoordig minder snel voor dit vak. Die onregelmatigheid zit vooral in het ‘op wacht staan’: je weet nu eenmaal niet wanneer een baby wordt geboren. We merken dat jongeren tegenwoordig meer behoefte hebben aan regelmaat en ’s nachts liever niet op pad gaan”, zegt Berger.
Eulen bevestigt dit beeld: „Je kunt te pas en te onpas worden opgeroepen. Welke jongere zit daarop te wachten?”
Volgens bestuurder Berger is de opleiding tot pedagogisch medewerker tegenwoordig een belangrijke concurrent van de opleiding tot kraamverzorgende. „Steeds meer jongeren kiezen voor het werk als pedagogisch medewerker, omdat je daar vaste dagen hebt en overdag werkt. Als wij de onregelmatigheid in ons werk kunnen verminderen, wordt het vak voor jongeren misschien weer aantrekkelijker.”
Daarom is ze regelmatig in gesprek met verloskundigen over de toekomst van bevallingsassistentie. „Ik wil absoluut niet tornen aan de thuisbevalling, maar de vraag is wel hoelang wij als kraamverzorgenden de assistentie bij bevallingen kunnen blijven verlenen, vooral ’s nachts wanneer er soms niet genoeg personeel beschikbaar is. Daarnaast merken we dat sommige kraamverzorgenden de assistentie bij thuisbevallingen door de werkdruk of de spanning minder graag doen. We zullen dus echt moeten kijken hoe we dit in de toekomst anders kunnen organiseren.”
„Door de personeelstekorten merk je dat kraamverzorgenden ook meer wensen hebben rondom bijvoorbeeld reistijd of nachtdiensten, en daar proberen wij als organisatie natuurlijk rekening mee te houden. Tegelijk maakt het de planning soms complexer, wat weer invloed kan hebben op de werkdruk”, zegt Zus Berger.
„Ik vind dat wij als sector dit onszelf ook mogen aanrekenen: wat doen wij zelf? We kunnen ons wel als calimero opstellen ten opzichte van andere zorgsectoren, maar we kunnen ook zelf de regie pakken en meedenken over hoe het anders kan om de werkdruk te verlichten. Er is sowieso nog maar heel weinig aandacht voor de opleiding tot kraamverzorgende. Bij veel scholen is dit beroep er simpelweg ‘uitgewerkt’. Terwijl het vroeger - en dan heb ik het over zo’n 35 jaar geleden - juist een enorm populaire opleiding was. Tegenwoordig wordt er heel negatief over gedacht: het zou weinig verdienen en geen regelmaat bieden, terwijl het juist een ontzettend leuk vak is.”
De bestuurder ziet wel kansen: „Als er een opleiding komt die de beroepsgroepen pedagogisch medewerker en kraamverzorgende combineert, dan kun je jongeren breder opleiden en kunnen de werkvelden veel beter met elkaar samenwerken.”
Minder pamperen, meer passende zorg
Door de tekorten krijgen veel gezinnen minder uren kraamzorg, en sommige zelfs helemaal geen zorg. Gezinnen hebben in de eerste periode na de geboorte doorgaans recht op 49 uur kraamzorg, maar dat aantal wordt vaak niet gehaald. De afgelopen jaren lag het gemiddelde op 28 uur.
Zus Berger vraagt zich af of de gemiddelde zorgduur van 49 uur daadwerkelijk nodig is: „Veel van de werkzaamheden bestaan uit huishoudelijk werk. Maar vaders hebben tegenwoordig vaak vrij en zijn gewend om mee te draaien in het huishouden. Maar de basis – de zorg voor moeder en kind – blijft prioriteit. Daar moeten we ons meer op richten; alles wat daarbovenop komt is natuurlijk mooi”, legt ze uit.
„Waar we eigenlijk naartoe moeten, is minder pamperen: zes tot zeven uur per dag bij een gezin zijn hoeft niet meer. De focus zou meer moeten liggen op kwalitatieve basiszorg, met de mogelijkheid om waar nodig aanvullende zorg te bieden.”
‘Niet meer van deze tijd’
Volgens Berger vraagt dit ook om een andere manier van indiceren. „We moeten met elkaar kijken naar de noodzakelijke passende zorg voor onze cliënten en niet automatisch uitgaan van de standaardindicatie van 49 uur kraamzorg.” Als mogelijke oplossing noemt ze ook een andere organisatie van de zorg rondom de bevalling. „Je zou het acute zorgdeel, de bevalling zelf, kunnen scheiden van de reguliere zorg voor moeder en kind thuis. Door daar anders naar te kijken, kunnen we de zorg misschien beter organiseren voor zowel gezinnen als kraamverzorgenden.”
Volgens Lianne Metselaar kiest Petit Kraamzorg bewust voor een basismodel van 36 uur verdeeld over 7 dagen (inclusief dag van de bevalling/opstartzorg), met ruimte voor verlengde zorg indien nodig. „Onze visie is dat passende zorg niet automatisch betekent dat het maximale aantal uren wordt ingezet. Het betekent: inzetten wat nodig is, ouders versterken in zelfredzaamheid, goed observeren en tijdig signaleren en flexibel spreiden van uren in overleg met het gezin”, zegt Metselaar.
„Door in de basis minder uren te plannen wanneer dit passend is, wordt de kraamweek compacter. Dat geeft gezinnen voldoende ondersteuning, maar voorkomt onnodige overbelasting van medewerkers. Maatwerk blijft altijd mogelijk bij medische of sociale indicatie. Wij verwachten dat dit bijdraagt aan een betere werk-privébalans en daarmee lagere ervaren werkdruk.”