Theo Spek schreef een boek over de landschappen van Nederland. Foto: Jaspar Moulijn
Van hoogleraar landschapsgeschiedenis Theo Spek uit Zeegse verscheen onlangs het vuistdikke ‘Landschappen van Nederland’.
Afgezien van enkele stadstaten is er geen land ter wereld waar elke vierkante centimeter door mensenhanden is omgewoeld. Met deze kennis groeien we in Nederland op. Maar het dringt pas tot je door als je het imposante boekwerk Landschappen van Nederland doorneemt.
Alleen al het gegeven dat ooit op de helft van het land een metersdik pak veen lag. In 800 jaar hebben we dat ontgonnen en geschikt gemaakt voor landbouw én gewonnen als brandstof in de vorm van turf.
Bij onze afspraak in Grand Café Het Witte Huis in Zeegse heeft Theo Spek (62), hoogleraar landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, een exemplaar van zijn boek meegenomen. Hij is er zichtbaar trots op.
„Jarenlang hebben we er met een team aan gewerkt. De hele tijd zit je achter een computerscherm. Als het dan mooi vormgegeven met veel platen in boekvorm uitkomt, dan voelt dat heel bijzonder. Veel mensen vinden een boek ouderwets, voor mij is het nog steeds een fantastisch mooi product.”
Vaak wordt hem gevraagd wat nou het meest karakteristieke is aan het Nederlandse landschap. Dan antwoordt hij zo bondig mogelijk dat Nederland ‘een laaggelegen deltalandschap’ is. „We zitten aan de monding van grote rivieren: de Maas, de Rijn, de Schelde, de Eems en ontelbaar kleinere die bepalend zijn geweest voor de vorming van ons land.”
‘Het zijn de rivieren die de landschappen verbinden’
Tegelijk bestaat Nederland niet uit één landschap maar uit een verzameling landschappen met hun eigen karakteristieken. In het boek maakt Spek een onderscheid tussen 17 cultuurlandschappen, die op hun beurt zijn onderverdeeld in 130 streken. „Het zijn de rivieren die al die landschappen verbinden.”
Aan de verschillende streken die ons land telt, hecht Spek veel waarde. Deze verschaffen de bewoners identiteit. Mensen zeggen dat ze uit het Westerkwartier komen, het Hogeland of Noordenveld. Dat heeft voor hen veel culturele betekenis. Ook wordt er vaak een apart dialect gesproken, dat afwijkt van dat van naastgelegen streken.
Over het Drents Plateau zou je oppervlakkig gezien kunnen denken dat het een eenheid is, zegt Spek. „Maar de Hondsrug, Oostermoer en Westerveld zijn aparte streken. Ze hebben ook overeenkomsten. Allemaal hebben ze esdorpen met een brink. Er staan Saksische boerderijen en er wordt van oudsher Drents gesproken. Toch zijn er ook verschillen. Je hoeft bij wijze van spreken maar 7 minuten te fietsen en je merkt die al.”
Van de vier landsdelen is het Noorden het minst aangetast
Zelf beschouwt hij zich als een Nederlander, die op meerdere plekken zijn voetstappen heeft staan. Zijn voorouders zijn afkomstig uit Zeeland, waar zijn opa een agrarisch bedrijf runde. Voor werk vertrokken zijn ouders naar Rhenen, op het puntje van de Utrechtse Heuvelrug. In Veenendaal bezocht hij het lyceum.
Studeren deed hij in Wageningen, op de rand van de Veluwe. Sinds 2008 werkt hij aan de RUG. Hij woont in Zeegse, op het zand. Dat is ook zijn specialisatie in zijn vakgebied; de hoofdstukken over zandlandschappen in het boek zijn grotendeels van zijn hand.
Van de vier landsdelen is het Noorden het minst aangetast. Hier is minder sprake van grootschalige verstedelijking en infrastructuur dan in andere delen van het land. „In en rond grotere kernen als Leeuwarden, Drachten, Hoogeveen, Emmen en Hoogezand zijn de oude landschappen verdwenen. Ook in Groningen natuurlijk, maar de landschappen rond de stad zijn mooi bewaard gebleven.”
Dat neemt niet weg dat Nederland in de afgelopen eeuwen volledig op de schop is gegaan. Waar ons land ooit grotendeels uit veen bestond, is de helft tegenwoordig zand. De kaart van Oost- en Zuid-Nederland kleurt bijna helemaal geel. Friesland bestaat voor een flink deel nog uit veen en Drenthe wordt aan verschillende kanten juist ingeklemd tussen het veen.
‘De stijgende zeespiegel is een van de motoren van de geschiedenis van Nederland’
Dat veen ligt er ook weer niet eeuwig. Het leeuwendeel dateert uit het holoceen (de jongste geologische periode vanaf 10.000 jaar voor de jaartelling tot nu). Het veen is in natte perioden op kleilagen gegroeid. Ook de stijgende zeespiegel, waardoor het grondwater omhoogkomt, heeft dat gestimuleerd. „Dat is een van de motoren van de geschiedenis van Nederland”, zegt Spek.
Veen bestaat uit onverteerde planten. In sommige streken was dat vooral riet, in andere elzenhout of grassen. Het meest voorkomend was veenmos. Spek: „Dat waren metersdikke kussens van sponzig hoogveen.”
Onze voorouders hebben het in de middeleeuwen van de elfde tot de dertiende eeuw ontgonnen en geschikt gemaakt voor landbouw. Dat deden ze door er lange sloten in te graven en het veen af te voeren. Het staat bekend als de middeleeuwse veenontginning. Vanaf de zestiende eeuw kwamen ze erachter dat turf een perfecte brandstof was. Het afgraven daarvan wordt vervening genoemd.
In de zeventiende eeuw was het Bourtangermoeras aan de beurt
De verveningen zijn gestart in Brabant, bij Roosendaal en Etten-Leur. Daarna is het veen bij Veenendaal afgegraven. Vervolgens gebeurde het in Friesland in de buurt van Drachten en Heerenveen.
In de zeventiende eeuw was het Bourtangermoeras aan de beurt. De afgravingen begonnen in Hoogezand-Sappemeer. Daarna werd vanuit de stad Groningen steeds verder naar het zuiden toe het gebied aan weerszijden van het Stadskanaal afgegraven. In de negentiende eeuw waren ten slotte Klazienaveen, Nieuw-Amsterdam en Schoonebeek aan snee. Het Bargerveen is het enige stukje hoogveen in het uitgestrekte moeras dat bewaard is gebleven.
Het veen werd volgens Theo Spek nergens zo grootschalig en commercieel afgegraven als in Nederland. Foto: Jaspar Moulijn
Dat de verveningen zich voltrokken van het zuidwesten naar het Noorden van Nederland had te maken met de kapitaalverschaffing. Spek: „In het middeleeuwse Vlaanderen en Brabant was er in de steden een overvloed aan kapitaal. Vlamingen investeerden dat in veenafgravingen. Later deden ook Hollanders, Friezen en Groningers dat. De turf ging vooral naar de Hollandse steden, waar de meeste mensen en industrie waren gevestigd.”
‘De ruime beschikbaarheid van turf heeft mede aan de basis gestaan van de Gouden Eeuw’
Ook elders in de wereld is volgens Spek veen afgegraven, maar alleen op kleine schaal. „Het gebeurde nergens zo grootschalig en commercieel als bij ons. Dat we van zo’n moeras landbouwgrond hebben weten te maken was een geweldige prestatie. Het tweede wonder is dat we een gigantische energiebron hebben aangeboord. De ruime beschikbaarheid van turf heeft mede aan de basis gestaan van de Gouden Eeuw.”
Gevolg was wel dat de veenontginning en de vervening een enorm stempel op ons landschap hebben gedrukt. De met kanalen en wijken doorsneden veenafgravingen, zoals die in de Groninger en Drentse Veenkoloniën, zijn in hun omvang uniek in de wereld.
Minstens zo bijzonder is de geschiedenis van het noordelijke zeekleigebied in Friesland en Groningen. Door de getijden van de zee was dat eeuwenlang ondoorwaadbaar terrein. De zee kwam door geulen en inhammen diep landinwaarts, tot aan de huidige stad Groningen toe.
Van alle landschappen is het zand het eerst bewoond
In de ijzertijd vanaf de zesde eeuw voor de jaartelling waagden avonturiers zich noordwaarts en begonnen ze zich op het Hogeland te settelen. Ze leefden daar niet van de visvangst, wat je zou verwachten, maar dankzij de vruchtbare bodem van landbouw en veeteelt.
Na verloop van tijd richtten ze terpen en wierden op, zodat ze droge voeten hielden. Ze probeerden het water steeds meer te beheersen. Daarvoor bouwden ze dijken en waterwerken. In het noordelijk kustlandschap zijn sporen van dat verleden nog steeds volop zichtbaar.
Van alle landschappen is het zand het eerst bewoond. Spek zegt het op docerende toon: „Eerst het zand, dan de klei en daarna het veen. Dat is de volgorde van het Nederlandse landschap in de tijd.”
Ook in Drenthe barst het van de sporen uit vervlogen tijden. Zo heeft de ijstijd niet alleen een stortvloed aan keien meegebracht, waarmee in het vierde millennium voor de jaartelling hunebedden zijn opgetrokken, maar ook stuwwallen in het landschap die als glooiingen nog steeds zichtbaar zijn. Een ander bijzonder fenomeen zijn de pingoruïnes zoals in het Dwingelderveld: ovaalvormige plassen als overblijfsels van met ijs gevulde heuvels.
De heidevelden zijn minder oud dan menigeen denkt
Over het Drentse landschap bestaan nogal wat mythes. Zo zijn de heidevelden veel minder oud dan menigeen denkt. Er was wel wat hei, maar lang niet zo veel als je op oude kaarten tegenkomt. Veel heidevelden ontstonden een paar eeuwen geleden als gevolg van overbegrazing door schapen.
Drentse boeren gingen steeds meer schapen houden, omdat er in de Hollandse textielsteden veel vraag was naar wol. Die wol was vooral afkomstig uit Drenthe, Brabant en de Veluwe. „Er liepen in Drenthe op een gegeven moment meer dan een miljoen schapen rond. Die hebben het halve landschap kaalgevreten. Dan ontstaat er hei. Wij vinden dat mooi, maar eigenlijk is het een uitgemergeld landschap.”
Landschapsgeschiedenis heeft veel te maken met de economische en maatschappelijke geschiedenis, wil Spek maar zeggen. In zijn boek heeft hij in de inleiding een driehoek opgenomen. De drie hoeken worden gevormd door de aarde, de natuur en de mens. De wisselwerking tussen deze drie vormt het landschap, waarbij de mens er in de jongste geschiedenis steeds meer zijn stempel op drukt.
‘Àlles is een verhaal’
Ook de alom bejubelde Drentse bossen zijn een menselijk product. Voor 90 procent bestaan die uit staatsbossen die als werkverschaffing in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw zijn aangeplant.
„Toen de heide eind negentiende eeuw niet meer geschikt was voor schapen, besloot de regering de heidevelden te ontginnen. Gronden die werden aangewezen voor landbouw werden geprivatiseerd. Op het overgebleven deel werden de staatsbossen aangelegd. Ook dat is een enorme ontwikkeling en met al die arbeiders ook een mooi historisch verhaal. Álles is een verhaal.”
Al die ontwikkelingen die zo bepalend zijn geweest voor het Nederlands landschap kun je beschouwen als een proces van rationalisering. ,,Ook dat is een terugkerend verhaal”, zegt Spek. „Alleen elke keer groter en beter en mooier en duurder.’’
In de middeleeuwen is de eerste grote klap dat Nederlanders de natte landschappen weten te temmen. In de Gouden Eeuw kwam de tweede grote klap, waarin het is gelukt om van de polderlandschappen vruchtbaar land te maken. Het eindigde bij de inpoldering van het Wieringermeer en een deel van de Zuiderzee. „De Markerwaard zou de laatste zijn, maar die is er nooit gekomen.”
‘We hebben de natuur en de bodem overbelast’
De fase waarin we nu zitten duidt Spek aan als ‘doorgeschoten rationalisering’. „We hebben de natuur en de bodem overbelast. Daar ondervinden we steeds meer de gevolgen van. Dan hebben we het met name over de klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit en overschot aan stikstof. Er wordt ook veel geklaagd over het monotone agrarische landschap - ‘grasfalt’ - waar bijna geen vogels en insecten zijn en de koeien niet meer buiten lopen.”
We moeten volgens hem op zoek naar een nieuw evenwicht, waarin de aarde, de mensen en de natuur beter in balans zijn. „De economie moet groener worden, zonder dat het ten koste gaat van het welzijn en de welvaart van de mens. Anders hebben de gewenste veranderingen geen draagvlak.”
Spek vindt dat de verschillende sectoren in Nederland te lang van elkaar gescheiden zijn. Stad en platteland moeten beter op elkaar worden afgestemd. „Ook de landbouw en de natuur zijn te ver uit elkaar gegroeid. De vertegenwoordigers ervan zijn in de politiek en de media continu met elkaar aan het ruziën. Ze staan gepolariseerd tegenover elkaar. Het zou goed zijn als de boeren groener gingen denken en natuurbeheerders meer met de agrariërs zouden samenwerken.”
Het is onvermijdelijk dat consumenten meer gaan betalen voor groene producten
Hij is er zich van bewust dat dit niet vanzelf gebeurt. De ambitie van Christianne van der Wal, de VVD-minister van Natuur en Stikstofbeleid in het kabinet Rutte IV, om het voor 2030 te regelen was volgens hem te hoog gegrepen. Je kunt ook niet van boeren verwachten dat zij eenzijdig opdraaien voor de lasten van deze groene transitie. Zo is het onvermijdelijk dat consumenten in de supermarkt voor groene producten meer gaan betalen.
Spek: „Het moet door iedereen worden gedragen. En het kan alleen maar stapje voor stapje. De ruilverkavelingen in Nederland hebben ongeveer 30 jaar geduurd. Ook deze transformatie moet zich in zo’n tijdsbestek afspelen. Het kost veel geld. Als je die transitie over een lange periode uitsmeert, dan red je het met een paar miljard euro per jaar.”
Het landschap is overal en van iedereen
Het landschap is ons belangrijkste erfgoed, zegt de bevlogen wetenschapper. „We hebben veel geld over voor kunst en cultuur. Dat is hartstikke waardevol. Maar voor veel Nederlanders is ook het landschap ontzettend belangrijk. Waar je geboren en opgegroeid bent, waar je woont, waar je graag in het weekend wandelt en fietst of op vakantie gaat. Als je dat allemaal optelt en ook de waarde van het landschap voor planten en dieren erbij betrekt, en de toeristische economie, dan kun je stellen dat het belang ervan zwaar wordt onderschat.”
Hij heeft wel een idee hoe dat komt. Het landschap is overal en van iedereen. Daardoor is het in zijn ogen ongrijpbaar en wordt het vergeten. „Voor natuurorganisaties speelt het geen hoofdrol en voor cultuurinstellingen evenmin. Dat geldt ook voor de betrokken ministeries. Niemand heeft het landschap in zijn centrum staan, terwijl het wel de verbindende schakel is van alles. Het landschap is daardoor vogelvrij. Er wordt te weinig op gelet.”
Boekgegevens
Landschappen van Nederland
Titel Landschappen van Nederland. Handboek voor de geschiedenis van onze leefomgeving.