Jan Meester beleefde de oorlog als kind anders dan volwassenen. ,,Na vier dagen capituleerde Nederland. Maar voor mij als kind was er niets veranderd.” Foto: Corné Sparidaens
Jan Meester (96) hoort op 10 mei 1940 de Duitse vliegtuigen over Coevorden razen. Vijf jaar later brengen Canadese tanks de bevrijding in Groningen. In de jaren ertussen ziet hij een familie met twee gezichten. „Waarom zou ik me schamen? Wat heb ik als klein kind met mijn opa te maken?”
Jan Meester is ondanks zijn hoge leeftijd prima bij de tijd. De ochtend op de dag van het interview kan hij niet afspreken, want dan wordt de nieuwe wasmachine gebracht. Aan de voordeur hangt een briefje met een boodschap voor de leverancier van zijn splinternieuwe driewieler. Meester woont zelfstandig en doet dat zonder wat voor hulp dan ook. „Ik kom uit een gezin met drie jongens. Alle drie in de negentig, alle drie leven we nog.”
Jan logeert in de nacht van 10 mei 1940 bij zijn oom en tante, die ook in Coevorden wonen. Bommenwerpers scheren ’s ochtends vroeg over Zuidoost-Drenthe. Dat zijn de Engelsen, die terugkomen van bombardementen op Duitsland, weet tante te vertellen. „Later bleek dat die Duitse vliegtuigen ons land veroverden”, zegt Jan.
We woonden daar vorstelijk, in een grote villa. Daar ben ik nog trots op
De Meesters zijn net voor de oorlog verhuisd van Emmen naar Coevorden, vanwege het werk van vader, vertegenwoordiger bij drukkerij Ten Brink in Meppel. Ze wonen aan de Van Heutzsingel, in het enige Jugendstil-pand dat daar staat. „We woonden daar vorstelijk, in een grote villa. Daar ben ik nog trots op.”
Vader Meester heeft zich goed voorbereid op een aanval van Duitsland. Hij heeft een personenauto volgeladen met kleding en voedsel. Als het zo ver is, kan hij vluchten met zijn gezin. Die ochtend ziet Jan vanuit het raam van zijn slaapkamer Duitse soldaten in de straat. Ze rijden op paarden die ze gevorderd hebben van boeren in de grensstreek. Vluchten kan niet meer; de Bentheimerbrug is opgeblazen en er zijn versperringen aangebracht. „Na vier dagen capituleerde Nederland. Maar voor mij als kind was er niets veranderd.”
Op een briefje heeft Jan Meester uit Veenhuizen zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog geschreven. Foto: Corné Sparidaens
Jan Meester weet nu wel dat het gevoel van oorlog voor een volwassene, met verantwoordelijkheidsbesef, anders moet zijn geweest dan voor een kind. Maar wat hij wél begrijpt, is dat zijn vader „een enorme pest” heeft om zijn schoonouders te bezoeken. Opa heeft in Coevorden een handel in fietsen, doet veel zaken over de grens en is – misschien wel vanwege de zaken, vermoedt Jan - lid van de NSB. De grootste fout die opa maakt, is dat hij een huis koopt van weggevoerde Joden. „Een enorme fout, natuurlijk”, zegt Jan.
Jodenhuis
Het fijne weet hij er niet van, maar opa wordt na de bevrijding gevangen genomen, kaalgeschoren en afgevoerd. „Daarna kwam hij weer vrij en ging hij door in de fietsen. Het kopen van dat Jodenhuis was, meende ik, een zakelijk delict. Hij had niet iemand verraden. Dan had ik er zelf ook meer moeite mee gehad. Maar waarom zou ik me schamen? Wat heb ik als klein kind met die opa te maken?”
Aan moederskant van zijn familie zijn er meer die Duitsgezind zijn. „Een broer van opa was ook NSB’er. Zijn zoon zat zelfs bij de Landwacht. Nou, dan ben je in mijn ogen een minderwaardig mens. De buurman van mijn schoonouders zat in het verzet. Die heeft hij van huis gehaald. Afschuwelijk”, verhaalt Jan.
Jan Meester: "Bij een luchtalarm ging oma met die NSB’er naar de schuilkelder, maar opa wilde niet met hem in één ruimte.” Foto: Corné Sparidaens
Hij herinnert zich die keer dat hij en zijn broertje bij zijn oudoom en -tante gaat logeren. Het is nog vóór de oorlog. „Midden in de nacht stond die zoon voor ons met een dik touw waarmee je koeien kon vastbinden. Hij wilde óns vastbinden. Gewoon, uit wreedheid. We hebben geschreeuwd, tot zijn moeder hem tot de orde riep.”
Gevluchte NSB’ers
Hoe anders reageert zijn andere opa, Jan, naar wie hijzelf vernoemd is, op de Duitse bezetter. Als de geallieerden tegen het eind van de oorlog oprukken, vluchten NSB’ers naar Noord-Nederland. „Als je ruimte over had, moest je die gevluchte NSB’ers helpen. Bij opa en oma werd zo iemand ingekwartierd. Bij een luchtalarm ging oma met die NSB’er naar de schuilkelder, maar opa wilde niet met hem in één ruimte.”
Het gezin Meester komt de oorlog zelf goed door; na de verhuizing naar Coevorden volgt Groningen. Als pa een oproep krijgt „om voor de moffen te werken”, hoeft hij tot zijn opluchting niet naar Duitsland, maar moet hij werken bij houthandel Hemmes. „Vaak kwam hij thuis met de fietstassen vol hout. En één keer had hij een halve mud kolen te pakken gekregen. Waarschijnlijk gegapt. Gappen mag natuurlijk niet, maar de Duitsers gapten van ons. Wij vonden dat dus volkomen verantwoord.”
Als Jan Meester 16 wordt, krijgt hij zelf een oproep om voor de Duitse bezetter te werken. „Het was al aan het eind van de oorlog. We moesten loopgraven, tankgraven en eenmansputten graven aan de noordoostkant van de stad”, weet Meester nog. „Een oude Duitse soldaat hield toezicht, de rest moest natuurlijk vechten. Als die man zijn ronde maakte, dan stonden wij te kletsen om maar niet te graven, om te saboteren. Als iemand hem aan zag komen, riep de eerste: muziek! Dan wisten wij dat hij eraan kwam.”
Ik kreeg medelijden met de Duitse jongen. Hoe het komt? Ik weet het niet
Als de Canadezen oprukken, wordt vier dagen gestreden om de vrijheid. Het gezin Meester woont op de eerste etage en verblijft dan bij de benedenburen aan de Gratamastraat, de Timmers. Door de brievenbus loert Jan op straat naar passerende Duitse soldaten. „Een keer zag ik een Duitser van een jaar of zestien, net als ik toen. Ik kreeg medelijden met de Duitse jongen. Hoe het komt? Ik weet het niet.”
Een groot deel van het centrum van Groningen lag na de bevrijding in puin. Bron: NTR
Het gezin schuilt onder het cilinderbureau van Jan Timmer, verzetsman en politierechercheur. Jan Meester hoort nog het fluiten van overvliegende granaten. Jan Timmer wordt op de dag vóór de bevrijding getroffen door een granaat op het moment dat hij bij een NSB’er aanbelt om hem te grijpen; beiden overleven het niet.
Op 16 april 1945 wordt Groningen bevrijd. Jan Meester ziet vanaf de hoek van de Gratamastraat de Canadese tanks vanuit de verte aankomen. Ze stopten op de hoek en deelden chocola en sigaretten uit. „Dát zijn onze bevrijders. Ik word nu nog ontroerd.”
De Laatste Getuigen
Tot aan Bevrijdingsdag publiceert Dagblad van het Noorden elke week een interview met een ooggetuige van de Tweede Wereldoorlog. Het zijn verhalen van gewone mensen die in uitzonderlijke situaties terechtkwamen, of juist heel weinig van al het oorlogsgeweld meekregen en vertellen hoe het dagelijks leven eruitzag.