Bert Visscher houdt de deur op een kier: „Het kan best zijn dat ik over een paar jaar weer met een solo kom. Niemand die me tegenhoudt.” Foto: Corné Sparidaens
Cabaretier Bert Visscher (64) stopt na 45 jaar vol energie, absurdisme en volle zalen met zijn grote theatershows. Op 3 mei zwaait hij af in een uitverkochte Stadsschouwburg en met één houvast: het podium blijft trekken.
„Het is een beetje verkeerd gegaan”, zegt Bert Visscher, tussen twee slokken cola in de brasserie van de Prinsenhof in Groningen. „Twee jaar geleden zei ik in een interview dat dit voorlopig mijn laatste grote show zou zijn. Sindsdien word ik overal uitgezwaaid alsof ik morgen dood ben.”
Cadeautjes, bossen bloemen. „Goh Bert, wat érg dat je stopt. Dat is heel lief, maar het is iedere avond alsof ik morgen in mijn kist lig.” In werkelijkheid stopt hij niet met optreden, benadrukt hij, maar wel met het hele circus eromheen: de vrachtwagens, het decor, het team van tien man.
„Ik word 65 dit jaar en ik wil ook eens andere dingen doen. Het kan best zijn dat ik over een paar jaar weer met een solo kom. Niemand die me tegenhoudt. Maar die grote tournees zijn voorlopig klaar.”
De allerlaatste
Vanaf dinsdag 29 april speelt hij nog vijf keer in de Stadsschouwburg, op een paar minuten lopen van waar hij nu zit. De allerlaatste is op zaterdag 3 mei. Daarna kan Dat zie je een ander niet doen, na zo’n 320 uitverkochte voorstellingen, worden bijgezet in het kleinkunstmuseum. „Elke avond uitverkocht, elke avond een kolkende schouwburg. Dat is geweldig. Maar ergens moet het een keer ophouden.”
In het geval van Visscher is dat na een cabaretcarrière van ruim 45 jaar. Zijn eerste stappen op het podium zette hij als havoscholier op de Winkler Prins Scholengemeenschap in Veendam. „Met een stel leerlingen maakten we een voorstelling voor het eindexamenfeest. We noemden ons Filter. Het was zó leuk, dat we dachten: zonde om er nu al mee te stoppen. We zijn nog vijf jaar doorgegaan. Met steeds minder leden, dat wel.”
Bert Visscher zette zijn eerste stappen op het podium als havoscholier op de Winkler Prins Scholengemeenschap in Veendam. Foto: Corné Sparidaens
Recensent Jacques d’Ancona constateerde in het Nieuwsblad van het Noorden van 23 juni 1979 dat Filter nog te sterk de naweeën van schooloptredens demonstreerde. ‘Het lijkt me goed om dit ronduit vast te stellen.’
Maar dat ene ventje, die Bert Visscher, moesten we in de gaten houden: ‘Hij is typisch een figuur voor de momentopname. (…) Een beetje afgekeken overigens van Koot en Bie-scènes, zoals wel meer onderdelen bij Filter zijn opgedaan bij professionele formaties. Dat vind ik niet het ergste. Dat Visscher – ook wanneer dat niet de bedoeling kan zijn – de anderen wegspeelt in woord of gebaar is veel bezwaarlijker.’
Poppenkast
Het zat er dus al vroeg in: ‘Bertje Vis’ was destijds pas 18 jaar. Maar feitelijk begon zijn hang naar het podium nog veel eerder. Als kleuter organiseerde hij thuis al poppenkastvoorstellingen. „Ik vond het magisch dat mensen leuk vonden wat ik had bedacht. Dat gevoel is altijd gebleven. Sommige mensen gruwen van de gedachte om op een podium te staan, ik heb het altijd heerlijk gevonden.”
Visscher groeide op in Foxhol, waar vader Kees bij de aardappelmeelfabriek van Scholten werkte. Moeder Jenny was het vrolijke middelpunt van het gezin. „Het schrijven heb ik van mijn vader, de gekte van mijn moeder”, verklaart Visscher. „Ze was altijd opgewekt, een en al energie.”
Samen met zijn twee jaar oudere broer Jos groeide hij op aan het kanaal. „We woonden in een klein huisje met daarachter een enorme tuin. Mijn vader kon zo, vanuit zijn kantoor, door de tuin naar de achterdeur lopen. Het was een heerlijke jeugd. Overzichtelijk, warm. We gingen naar een dorpsschooltje – een beetje zoals Wim Sonneveld dat bezingt.”
Zijn liefde voor het theater werd mede gevoed door de platen die zijn vader leende bij de fonotheek in Hoogezand. Veel muziek, maar ook cabaret. „Toon Hermans, Herman van Veen – daar zaten we thuis naar te luisteren. Mijn vader had tranen van het lachen als Toon op tv was. Dat vergeet ik nooit meer.”
Naar Veendam
Op zijn tiende verhuisde het gezin naar Veendam. De grote stad, in de kinderogen van Bert. „Het was dramatisch dat de fabriek dicht moest en dat Avebe de boel overnam. Dat waren twee concurrenten. Mijn vader kreeg er een flinke klap van. Maar voor ons was het geweldig, we gingen van het dorp naar de stad.”
In Veendam bloeide vader Kees op een andere manier op. „Nadat hij was afgekeurd op zijn rikketik nam het schrijven echt een vlucht”, herinnert Visscher zich. „Hij kon niet meer werken en dat vond hij verschrikkelijk. Opeens werd zijn wereld heel klein. Geen Milaan of Barcelona meer, maar gesprekken met de buurvrouw over de heg die nog gesnoeid moest worden.”
Het schrijven werd een uitlaatklep. In het Gronings, vol observaties en humor. „Kees was ook verschrikkelijk muzikaal. Maar hij had een gezin en kon er zijn geld niet mee verdienen. Eigenlijk heeft hij er nooit iets mee gedaan. Daarom zei hij, toen ik met cabaret wilde beginnen: je moet het doen.”
Bert Visscher groeide op in Foxhol en Veendam: „Het was een heerlijke jeugd. Overzichtelijk, warm.” Foto: Corné Sparidaens
Ook al was dat aanvankelijk geen vetpot. „Ik heb heel lang gedacht dat cabaret gewoon een leuke hobby zou blijven. Totdat ik iets anders vond, badminton of zo. Ik zag me er geen geld mee verdienen, dat leek me onmogelijk.”
Daarom volgde hij de pedagogische academie en werd onderwijzer. Geen ideale combinatie. „Je kunt niet om half 3 ’s nachts thuiskomen uit Rotterdam en ’s ochtends weer fris voor de klas staan. De kinderen hadden dat ook wel door: meneer Visscher moest het eerste uur even met rust gelaten worden. Die kwam van ver.”
Deelname aan Cameretten, in 1981, voelde als een kantelpunt. „We haalden de finale nét niet, maar ik kreeg de persoonlijkheidsprijs – voor het eerst uitgereikt aan iemand buiten de finalisten. Een week later mochten we toch optreden op de slotavond.”
De andere leden van Filter voelden daar aanvankelijk weinig voor. „Maar ik zei: we gaan wel! We zongen een mooi lied en daarvóór speelde ik een onderwijzer die aan de klas uitlegde hoe het is om door de rimboe van Indonesië te trekken. Het stuk van 10 minuten werd bijna een halfuur. Mijn ouders zaten in de zaal, we braken de tent echt af. Trots dat ze waren! Ik dacht: nu wordt het wat.”
Eerste solo
Na het uiteengaan van Filter speelde Visscher in 1984 zijn eerste solo: Desnoods geblinddoekt op één been. Met een koffer vol ideeën, een hoofd vol typetjes en een afgedankte eend als tourwagen. „Dan reed ik naar Goes of Terneuzen en zaten er drie man. Of niemand. En vervolgens terug naar Groningen. Alleen al aan benzine was je kapitalen kwijt. Daar werd je alleen maar armer van.”
Wat Visscher op de been hield, was het succes op cabaretavonden en bij andere gelegenheidsoptredens. „Ik kreeg de boel altijd aan de gang, dus ik wist: het wérkt wel. Het publiek is er. Ik moet alleen nog die mensen zien te bereiken.”
Hij gaf zichzelf tot zijn dertigste. „Tegen die tijd moest ik ervan kunnen leven, vond ik. Anders zou ik iets anders gaan doen.”
Hij hield vast aan zijn eigen stijl, nadat hij in het prille begin nog even de geëngageerde artiest had uitgehangen. „Toen deed ik teksten over bootvluchtelingen en zo”, zegt hij terugblikkend. „Er zijn nog wel cassettebandjes van. Als ik die terug hoor, schaam ik me tot in het diepst van mijn schoenen.”
Het leerde hem nooit een kopie te worden van wie dan ook. Visscher gooide alles in de strijd: lijf, stem, decorstukken en een eindeloze stroom absurdisme. „Ik had al snel door: het moet die Monty Python-gekte worden”, zegt Visscher, die ook Tommy Cooper als inspiratiebron noemt. „Van hen leerde ik: alles mag. Alles kan. Maar doe het op je eigen manier.”
Zo ontstond iets dat je nergens anders zag. „Omschrijf maar eens wat ik doe”, zegt hij. „Het is geen cabaret, geen toneel, geen stand-up. Dat is misschien ook waarom mensen om de twee jaar denken: toch eens kijken wat die Visscher nu weer heeft bedacht.”
Televisieoptredens
De definitieve doorbraak kwam toen Visscher op televisie verscheen. De VARA toonde geregeld werk van nieuwe cabaretiers. „Ik kreeg een kwartiertje, dacht ik. Later een halfuur. Meteen daarna was het booming. Iedereen dacht: die gek, daar moeten we naartoe. Sindsdien zaten de zalen vol.”
Zo’n tv-registratie leidde ook tot een onverwacht telefoontje. „Ik woonde nog aan de H.W. Mesdagstraat (in Groningen, red.) toen ik ’s middags werd gebeld. Een vrouw die zich voorstelde als de secretaresse van Toon Hermans: ‘Meneer Hermans wil u spreken.’ Ik dacht: ja hoor, vast. Maar toen hoorde ik: ‘Met Toon.’ Mán, wat een moment. Toen hij na een uur ophing, zat ik te trillen op mijn stoel. Meteen daarna heb ik mijn ouders gebeld. Moet je nú eens horen!”
De definitieve doorbraak kwam toen Bert Visscher op televisie verscheen. „Iedereen dacht: die gek, daar moeten we naartoe.” Foto: Corné Sparidaens
Hermans was vol lof, maar had ook wat vaderlijke adviezen. „Rust nemen, wachten na een grap. Niet eroverheen walsen. De lach eerst laten uitklinken.” Visscher zou hem daarna nog een paar keer ontmoeten: in de Stadsschouwburg, bij een boekuitreiking in Amsterdam. „Toon nodigde me uit om bij hem thuis in Sittard koffie te komen drinken, met een gebakje. Maar toen overleed hij. Die afspraak is nooit doorgegaan.”
De erkenning van de állergrootste in het vak, die pakten ze Bertje Vis niet meer af. Hij kreeg voortaan ook goede recensies in de ‘kwaliteitspers’ en speelde van elk programma honderden uitverkochte voorstellingen. Maakte in 2002 zijn debuut in Carré – dat zijn uiteindelijk 104 avonden geworden. „Onvoorstelbaar eigenlijk. Vroeger fietste ik er weleens langs en dacht ik: als ik dáár toch eens kon staan...”
Ondanks het succes bleef de twijfel. „Alle collega’s hebben dat. Telkens dacht ik: het lukt me niet meer. Ik heb 15 programma’s gemaakt en ik heb dat ook 15 programma’s gedacht. En dan ineens, bij de try-outs, sta je er weer en denk je: nou, dit kan toch wel wat worden. Misschien komt het toch weer goed.”
Soms sneuvelde een nummer dat in zijn hoofd nog de potentie van een klassieker had. „Dan denk je: dít wordt hem. Maar op het podium werkt het niet. Zoals die voetbaltrainer die z’n spelers bij een penalty in een muurtje probeert te krijgen. Hartstikke leuk bedacht – maar je voelt de zaal denken: wat doet-ie nú weer? Als het tien avonden lang stil blijft, weet je: schrappen. Meteen.”
Nog altijd staat hij met spanning in de coulissen. Ook nu bijna het doek valt voor Dat zie je een ander niet doen. „En dat is ook goed”, zegt Visscher. „Er zit nieuw publiek, duizend andere mensen dan gisteren. Die wil je niet teleurstellen. Het moet elke avond raak zijn. Ook als je een pijntje hebt, of griep. Als je eenmaal opgaat, wals je daar wel overheen.”
Hij blijft kritisch. „Ik weet precies welk overgangetje nog niet lekker loopt. Dat ik denk: verdomme, dat was ’m nét niet. Terwijl het publiek daar niks van merkt. Ik durf te zeggen dat ik elke avond wel een 8 speel. En soms is het een 9, als álles klopt: geen versprekingen, omkleden ging goed, ik hoefde niet te vloeken in de coulissen omdat ik vastzat in m’n broek.”
Volledige controle
Op het podium is hij de baas. Hoe geïmproviseerd het er soms ook uitziet, Visscher speelt zijn voorstellingen tot op de minuut nauwkeurig. Volledige controle. Daarom was het ook zo heftig wat hem 2,5 jaar geleden overkwam. „We waren net terug van vakantie”, zegt hij. „Ik stond naast mijn vrouw Pien in de keuken en ineens begon ik te trillen en te wiebelen. Van het ene op het andere moment was ik volledig de weg kwijt. Ik herkende mezelf niet meer. Paniek.”
Hij kreeg snel psychische hulp, ook medicatie, en geleidelijk werd het weer rustiger in zijn hoofd. „Het is gelukkig niet teruggekomen. Al merk ik het soms nog wel, als ik weer te veel hooi op m’n vork neem. Dan weet ik: rustig, Visscher. Niet te veel ballen tegelijk in de lucht willen houden.”
Wellicht nam hij te weinig tijd om privézaken te verwerken. „Ik speel natuurlijk maar door en door en door. Vrienden die overleden zijn, en dan ’s avonds toch maar weer die voorstelling.” De diagnose prostaatkanker, in het najaar van 2022. „Dat kwam er ook nog eens bij”, zegt Visscher. „Gelukkig is het weg en ben ik er heel goed uitgekomen. Maar het stapelde zich allemaal wel op.” Zijn broer Jos overleed in 2023 op 65-jarige leeftijd.
In die periode repeteerde Visscher voor de productie Ripperda, een muziektheatervoorstelling onder de vlag van Zummerbühne over de roemruchte Groninger edelman. „Je moet repeteren, je moet er zijn, je moet blijven bewegen. Dat helpt.”
Een hoofdrol betekende ook: tachtig pagina’s tekst leren. „Dat is ’s avonds en ’s nachts door je werkkamer lopen en maar opdreunen. Maar toen die tekst er eenmaal in zat... Zo heerlijk om te doen. Mán!”
En dus blijft Visscher ook na 3 mei niet stilzitten. Zijn afscheid geldt alleen de grote vorm – niet het podium. „Ik wil nieuwe dingen proberen. Kleine projecten. Geen vrachtwagens meer, geen team van tien mensen. Maar wel theater. De verhalen van mijn vader voorlezen, zingen met het Noordpool Orkest, optreden als Don Pescatore... Dat podium blijft trekken. Altijd.”
Voorstellingen
Bert Visscher speelt Dat zie je een ander niet doen van 29 april tot en met 3 mei in de Stadsschouwburg, Groningen. Alle voorstellingen zijn stijf uitverkocht. Het Noordpool Orkest presenteert in juni Don Pescatore and his Alcatraz Orchestra, waarin Bert Visscher samen met een bigband en drie zangeressen spetterende covers uit heden en verleden brengt. Te zien: 12/6 Martiniplaza, Groningen; 13/6 Harmonie, Leeuwarden; 20/6 Hedon, Zwolle; 19/7 Berkenplas, Schiermonnikoog. Zie ook bertvisscher.nl.
In het kort
Albert (Bert) Visscher werd op 26 oktober 1960 geboren in Groningen. Hij groeide op in Foxhol en verhuisde op zijn tiende met vader Kees, moeder Jenny en broer Jos naar Veendam. Hij deed de havo op de Winkler Prins Scholengemeenschap in Veendam en vervolgens een opleiding aan de pedagogische academie. Na anderhalf jaar in het onderwijs koos Visscher volledig voor het cabaret, daarbij zakelijk ondersteund door impresario Eric Alferink. Die regelt nog altijd zijn zaken. Met Dat wordt nooit wat (2021) en Italianen kunnen niks (2022) schreef Visscher twee bestsellers. Hij woont in de stad Groningen met zijn vrouw Pien Verpaalen en zoon Mink (19).