Joris Linssen, pianist Vera Marijt, en violist Myrthe van de Weetering in ‘Lieve Hemel’. Foto: Rob Oostveen
Met een muzikale toneelvoorstelling wil tv-presentator Joris Linssen mensen in beweging zetten. „Ik vind dat je een brug moet slaan naar andere kringen. Dat doe ik door voor te gaan bij het kerkasiel, en door deze voorstelling te maken.”
„Welkom, ik ben Joris”. Met uitgestoken hand stapt presentator en zanger Joris Linssen op fotograaf Rob en mij af. „Ik kleed me even om, oké? Meestal repeteren we niet in kostuum, maar nu is het wel leuk – zeker voor jou”, knikt hij naar de fotograaf.
In een zaaltje in het Huis van Eemnes, de bibliotheek in het dorp in de Gooistreek, wordt deze middag gerepeteerd voor Lieve Hemel, een ‘inspirerende muzikale theatervoorstelling’ aldus de poster, over ‘oude verhalen en nieuwe betekenissen’. Afgelopen week begon hier de landelijke tournee.
Theatervoorstelling ‘Lieve Hemel’
Samen met muzikanten Myrthe van de Weetering (zang, viool en contrabas) en Vera Marijt (piano, toetsen en zang) verweeft Joris Linssen in Lieve Hemel verhalen en muziek met persoonlijke reflecties. De voorstellig is een productie van Nachtzon Media en de Protestantse Kerk in Nederland, eerder produceerden zij In Gods naam met Bas Ragas over verhalen uit de Bijbel.
Voorstellingen in het Noorden: 11 maart Theater Sneek, 17 maart Atlas Theater in Emmen, 16 en 17 april It Spektrum in Burdaard, 28 mei Posthuis Theater in Heerenveen, 10 juni De Meenthe in Steenwijk. Zie voor de volledige speellijst www.theaterlievehemel.nl.
Op een tafeltje in de repetitieruimte liggen twee bijbels: de NBV21 en kinderbijbel Woord voor Woord. Linssen, inmiddels gestoken in een zwart pak met een Oriëntaals aandoend motief van oranje glitters, begint: „In de dagen dat de Richters richtten”, citeert hij gedragen de inleidende zin van het Bijbelboek Ruth. Om meteen over te gaan op een moderne, vlotte toon: „Tja, wie mij 20 jaar geleden gezegd zou hebben dat mensen naar het theater zouden komen om mij te horen praten over een Bijbelverhaal, die had ik niet geloofd.”
Joris Linssen: „Ik las gisteren dat de gemeente Lochem 1000 euro wil geven aan mensen die in de buurt van een azc wonen. Dat vind ik echt heel cynisch, heel akelig. Eigenlijk zou onze compassie naar gezinnen in azc’s moeten gaan.” Foto: Rob Oostveen
Toch vertelt de presentator (onder meer bekend van Taxi, Hello Goodbye en Joris’ Showroom) en zanger in Lieve Hemel aan de hand van het Bijbelverhaal Ruth over zijn inspiratie voor het leven. Gelovig is hij niet. Maar het christendom raakt hem wel, vertelt hij in de repetitiepauze in het café van de bibliotheek. „De helft van mijn leven werk ik al bij de NCRV, een christelijke protestantse omroep. Dat is wel een apart verhaal: als ongelovige mocht je daar niet eens een vast contract krijgen, maar uiteindelijk ging er een wet in die bepaalde dat je een vaste aanstelling kreeg als je ergens langer dan drie jaar had gewerkt.” Lachend: „Dus ze moesten wel…”
Hij voelt zich thuis bij de omroep, die inmiddels samenwerkt met de van oorsprong katholieke KRO: „Ik heb mij er nooit vreemd gevoeld, omdat ik heel erg achter de basis van het christendom sta. Daarbij gaat het wat mij betreft om compassie en medemenselijkheid, erbarmen, genade. Ja, die zaken spreken mij aan. Alleen heb ik het altijd meer aangevlogen vanuit maatschappelijke bewogenheid.”
Punker
Hij is niet religieus opgevoed en ontpopte zich in zijn puberjaren begin jaren tachtig als punker. „Ik vond dat het schoolsysteem de fantasie kapot maakte; er werd eenheidsworst gedraaid. Op mijn 17de verjaardag ben ik met een hoop aplomb van school gegaan. Ik gooide een rookbommetje en ik dacht dat de revolutie was begonnen. Maar toen kwam ik erachter dat al mijn vrienden wel gewoon de hele dag op school zaten, en dat het leven heel saai werd. Ik kwam een beetje in de kraakbeweging terecht, maar dat vond ik oppervlakkig. Zo gaan we de wereld niet verbeteren, dacht ik. Dus ik ging toch maar weer terug naar het atheneum, met als idee: even twee jaar volhouden en dan ben ik weg.”
Joris Linssen: „ Vrienden plagen me graag met deze voorstelling. Ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Daar hebben we dominee Linssen weer’.” Foto: Rob Oostveen
„Ik was een punk uit engagement: niet tegen alles, maar wel tegen de bestaande orde. Als jongen dacht ik dat ik de wereld veranderde met de revolutie. Als volwassene wist ik: het is al heel wat als ik één kind kan helpen. Uiteindelijk heb ik het meer gezocht in het opvangen van kinderen; mijn partner en ik hebben drie pleegkinderen. En mensen serieus nemen, dat is ook al een stap. Daar heb je uiteindelijk meer aan, aan die kleine stapjes van medemenselijkheid, dan aan grote revoluties, daar was ik al snel achter.”
Na een studie geschiedenis kwam hij bij de stadsomroep Utrecht terecht, in 1994 ging hij aan de slag voor de NCRV. Ook bleef hij muziek maken: de punk verruilde hij voor gitaarband The Vendettas, vanaf 1990 had hij succes met een parodie op de Utrechtse volkszanger Ome Cor, later maakte hij Mexicaanse muziek.
Dat hij nu met verhalen en overdenkingen uit de Bijbel op het podium staat, is voor vrienden reden hem te prikkelen: „Ze plagen me er graag mee. Ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Daar hebben we dominee Linssen weer’. Maar ik zie wel een lijn in alles wat ik doe. Ergens is deze kleine jongen nog steeds een punker. Ik heb geen zin om te doen wat hoort. Het is voor mij ook opstandig om een voorstelling te maken waarin ik uit de Bijbel voorlees.”
Kerkasiel
Zijn betrokkenheid bij de familie Babayants, een Oezbeeks gezin dat sinds november 2024 in het kerkasiel in Kampen verblijft, was het zetje tot de voorstelling. „Het was puur toeval dat ik hen leerde kennen. Tenminste, dat is dan natuurlijk altijd de vraag... Maar ik was in Kampen voor een televisieprogramma, en ik zat in een parkje wat uit te rusten. Toen werd ik aangesproken door een echtpaar dat vrijwilligerswerk deed in de Open Hof, waar de Babayants nu verblijven. Zij herkende me van televisie, en vroeg: ‘Jullie komen zeker filmen voor het kerkasiel hier vandaag?’ Ik kende dat helemaal niet, maar ik heb me er vanaf dat moment in verdiept.”
Joris Linssen, pianist Vera Marijt, en violist / contrabassist Myrthe van de Weetering in ‘Lieve Hemel’. Foto: Rob Oostveen
Hij ervoer in de kerk solidariteit en een gevoel van medemenselijkheid. Dat inspireerde hem er als leek een dienst te verzorgen. „Ik kreeg sterk het gevoel dat we uit onze bubbel moeten breken. We hebben allemaal onze eigen kliekjes en groepjes, maar er zijn zúlke grote problemen in deze tijd, dat het eigenlijk niet meer aangaat om in je eigen kring te blijven. Ik vind dat je een brug moet slaan naar andere kringen. Dat doe ik door voor te gaan bij het kerkasiel, en door deze voorstelling te maken.”
In Lieve Hemel verbindt Linssen verhalen van zijn eigen levenspad met de Bijbelse geschiedenis van Ruth en met de gebeurtenissen rond de familie Babayants. Vooral het lot van de asielkinderen raakt hem: „Amelia wordt in april 12. Zij heeft heel haar leven in azc’s gewoond, en nu anderhalf jaar in een kerk. Ze zou terug moeten naar Oezbekistan, maar ze spreekt geen woord Oezbeeks. Dat gaat toch tegen alle kinderrechten in?”
Gewortelde kinderen
Terwijl hij vertelt over de vriendschap die zich in de loop van de tijd ontvouwde met het gezin Babayants, begint in de bibliotheek aan een tafel naast de onze een kinderfeestje. Als de joelende groep Gooise kinderen zijn pleidooi voor een kinderpardon overstemt („Je hebt 400 gewortelde kinderen die langer dan vijf jaar in Nederland zijn. Dat kun je als net land toch niet maken!?”), staat hij resoluut op: „Kom, we gaan even ergens anders heen.”
Leden van het gezin Babayants in kerkelijk centrum Open Hof in Kampen, waar aan de Oezbeekse familie door de protestantse kerk kerkasiel wordt verleend. Foto: ANP
Aan een rustiger tafel aan de andere kant van de bieb: „Waar waren we nou? Het was zo’n herrie dat ik helemaal off focus raakte.”
Terug naar wat hem raakt: „Ik las gisteren dat de gemeente Lochem 1000 euro wil geven aan mensen die in de buurt van een azc wonen. Dat vind ik echt heel cynisch, heel akelig. Eigenlijk zou onze compassie naar gezinnen in azc’s moeten gaan. Neem de Babayants. Dat is een voorbeeldige familie. Ik vind het bijna pijnlijk om te zien hoe moedig zij hun lot dragen. Ze zitten bijna 500 dagen in een kerk opgesloten. Eerder zijn ze in het azc in Emmen opgepakt door de Dienst Terugkeer en Vertrek. De kinderen zagen hun vader geboeid uit een busje komen. Verschrikkelijk. In de kerk in Kampen voelen ze zich nu veilig, omdat ze niet meer het risico lopen opeens opgepakt te worden. Als je dat weet, als je dat écht invoelt, dan snap je pas hoe onveilig het wel niet moet voelen voor een gezin in zo’n azc.”
Aren lezen
De pauze zit erop, Linssen keert terug naar de repetitieruimte. Daar ziet hij dat hij een appje heeft van Henk van der Weerd, de man van het echtpaar dat hij ontmoette in het park in Kampen, toen hij nog niks wist van het kerkasiel. Enthousiast laat hij het aan de aanwezigen zien: „Kijk, Henk geeft Amelia gitaarles!” Vertederd speelt hij het af voor wie het maar wil zien: pianist Vera Marijt, regisseur Jan Pool en technische man Dirk Jan Noordermeer. Als violist Myrthe van de Weetering weer binnenkomt, moet ook zij het zien. En iedereen vindt het mooi; ze waren enkele weken geleden in Kampen om het stuk te spelen speciaal voor de familie. Er vloeiden volop tranen, de gevoelde band met het gezin is sterk.
Dan begint de repetitie weer. Linssen verhaalt over de ontmoeting tussen Ruth en Boaz, over hoe hij haar aren zag rapen op een graanveld. Tijdens een overlegmomentje even later zegt de regisseur: „Leuk weetje: in oud-Bijbelse taal heet dat ‘aren lezen’. Dat kennen al die mensen in de zaal wel. Leuk als je dat er nog even tussen gooit.” Joris: „Ja, heel goed. Weet je dat ik op internet las dat dit in 2024 in Vlaanderen is afgeschaft? We kennen dat allemaal toch wel, dat we langs een appelboom lopen en zin hebben om een appel te pakken? Dat mocht daar dus gewoon, tot 2024.” Violist Van de Weetering: „Nou, ik weet niet zeker of dát zomaar mocht hoor.”
Schilderij ‘Ruth en Boas’ door Nicolaes Berchem (1620 - 1683), ca. 1650. Beeld: Rijksmuseum
Linssen pakt zijn rol weer op. Gedragen: „Het is echt een grote eer voor mij, dat ik me een vriend mag noemen van de familie Babayants.” Dan, stotterend: „Oh, wacht even... ik ben te ver. Ik ben al bij de rechterpagina, maar we moeten de linkerpagina nog...” Hij vervolgt weer: „Jezus, stamt af van Ruth, van een migrant”. Maar hij is de draad kwijt: „Ik mis iets. Hoe zat het ook alweer?” Regisseur Pool helpt Linssen weer op koers. „Oja, de verlosser, die zijn afkomst te danken heeft aan een losser”, herhaalt Linssen een kernzin. „Heel mooi.”
Dwalende overheid
De Babayants wachten nog op hun losser, op iemand die hun verblijf in Nederland mogelijk maakt. Dat is een van de boodschappen van de voorstelling. „De mensen in Kampen stonden op voor deze familie. Er is nog een lange weg te gaan, dwars door de woestijn. Maar ik heb wel gezien dat daar een groot heilig vuur is begonnen, in Kampen.”
Joris Linssen: „Als jongen dacht ik dat ik de wereld veranderde met de revolutie. Als volwassene wist ik: het is al heel wat als ik één kind kan helpen.” Foto: Rob Oostveen
Dat vuur wil Linssen verder aanjagen. „Wat mij zo trof in Kampen is dat daar bescheiden, aardige, goedbedoelende mensen zijn opgestaan, letterlijk en figuurlijk, voor deze familie. Ik hoop dat meer mensen, als ze deze voorstelling horen en zien, ook een drang krijgen om op te staan. Tegen een dwalende overheid. Tegen de tijdgeest die zo naar dwingend is. Tegen het individualisme. Tegen de enorme verschillen tussen rijk en arm.”
Peinzend: „Dit zijn allemaal dingen waarvan ik twintig jaar geleden zou denken: joh, Linssen, wat een moralistisch praatje. Maar de tijden zijn veranderd. We moeten nou echt wat doen: het alarm gaat af.”