Longarts Sander de Hosson (48) uit Groningen schrijft boek voor kinderen over de dood. ‘Ouders proberen te beschermen, maar dat kan juist schadelijk zijn’
Longarts Sander de Hosson schreef een boek over de dood voor kinderen. Foto: Marcel Jurian de Jong
Over doodgaan schreef hij al vaker, onder meer als columnist van DVHN en LC, maar nog nooit voor kinderen. En dat terwijl het zo belangrijk is dat ze leren dat de dood normaal is, vindt Sander de Hosson (48) uit Groningen, longarts in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen. „We maken het vaak veel enger dan het is.”
De dood van zijn opa is een gebeurtenis die het leven van longarts en schrijver Sander de Hosson (48) uit Groningen nog lang getekend heeft. Hij was 11 jaar toen zijn opa longkanker kreeg. In diens laatste levensfase hoestte hij bloed op, waarop De Hossons ouders besloten dat het beter was dat de kinderen hem niet meer zagen. „Ik weet nog dat mijn moeder zei: ‘Hij ziet er heel eng uit’.”
In het hoofd van de jonge Sander vormde zich het beeld van opa als een monster, waar af en toe bloed uitkwam. „Toen werd opa pas écht eng.” De Hosson werd zelfs zo bang voor de dood dat hij in zijn eerste jaren als arts niet alleen durfde te schouwen bij patiënten op hun sterfbed. „Ik snap mijn ouders, ze wilden mij beschermen. Maar de dood is in werkelijkheid veel minder eng dan hij voor kinderen wordt als ze niet goed worden meegenomen in die laatste fase.”
De dood voor 7-12 jaar
Het was zijn vorige boek dat De Hosson op het spoor zette voor zijn nieuwe werk Game Over. Nadat De Hosson succesvol columns schreef met stervensverhalen uit zijn praktijk voor DVHN en LC (tussen 2016 en 2018), gebundeld in Slotcouplet, ontstond het plan om nog een boek te schrijven over dit onderwerp. Samen met journalist Els Quaegebeur beschreef hij in Leven toevoegen aan de dagen (2023) open en transparant hoe een stervensproces verloopt. „Bij de presentatie daarvan kwam iemand naar me toe die zei: ‘Dit is een hartstikke belangrijk boek, dit moet je ook voor kinderen schrijven’.”
En inderdaad, ontdekte hij: dat was er nog helemaal niet. „Ja, voor jongere kinderen heb je Lieve oma Pluis of Kikker en het vogeltje. Maar bijna niets voor de leeftijdscategorie daarboven, voor 7 tot en met een jaar of 12, 13.” Een goed idee dus, vond De Hosson, maar: „Ik ben een dokter voor mensen van boven de 18. Ik zie wel eens kinderen in mijn spreekkamer met hun ouders en ik vind het heel belangrijk om kinderen naar het ziekenhuis te halen als iemand gaat overlijden, maar ik ben geen pedagoog. Al weet ik wel veel over doodgaan. Dit was het meest uitdagende boek dat ik gemaakt heb.”
Hij zocht opnieuw contact met Els Quaegebeur, drie jaar geleden. Ze spraken voor het boek Game Over met experts, met pedagogen en leerkrachten. „Het helpt dat we zelf kinderen in deze leeftijd hebben: Els’ dochter was 11 toen we begonnen, mijn kinderen zijn nu 9 en 11. Je ziet als ouder wel wat een kind nodig heeft.”
En wat kinderen vooral nodig hebben, is houvast. „We begonnen met de duidelijke structuur van hoofdstukken die het boek nu heeft: over ziek worden, ziek zijn, dood gaan en dood zijn. Zo begon ik vooral te vertellen en Els te schrijven. Maar er miste daarna nog een dimensie. We wisten niet of we echt volledig waren.”
Zo ontstond het idee om met kinderen zelf te praten. „Els werkt in een hospice, daar kwamen geregeld kinderen met wie ze wel eens praatte terwijl ze stond te koken voor de bewoners. Verhalen van hen zijn eveneens in het boek verwerkt, zodat het heel dichtbij komt en herkenbaar is voor de lezers. Het gaat over doodgaan, nadrukkelijk niet over rouw. Daarover zijn al wel veel goede kinderboeken geschreven.”
Sander de Hosson in zijn spreekkamer in het WZA in Assen. "We leggen onze eigen angst en onzekerheid over de dood op aan kinderen." Foto: Marcel Jurian de Jong
Waarom het lichaam zo koud is
Wat willen kinderen nu écht weten over de dood? Dat besloot De Hosson aan de vriendjes van zijn kinderen te vragen tijdens een dagje naar Giethoorn. „In de auto heb ik de bandrecorder aangezet en ben ik – met toestemming van de ouders – gewoon eens gaan praten over de dood. De kinderen stelden vooral heel directe vragen: waarom het lichaam zo koud is. Of waar je naartoe gaat als je dood bent.”
Daarna ging de zoektocht verder via LinkedIn. „Daar heb ik ouders in mijn netwerk gevraagd welke vragen hun kinderen stellen. Die lijst heeft ons echt geholpen. En de meeste vragen beantwoorden we in het boek. Op een veilige manier, dat vind ik heel belangrijk, want het blijft een kwetsbaar onderwerp. We hebben duidelijk geschreven: als het je even te veel wordt, leg het boek dan weg. En: als iemand ziek wordt of doodgaat, is dat niemands schuld en zeker niet van jou. Dat idee van schuld leeft vooral nog wel eens bij 7- en 8-jarigen.”
Geen mens weet zeker wat er na de dood gebeurt – ook dat wordt eerlijk verteld in het boek. „Het is natuurlijk een lastige vraag en wij volwassenen zijn heel goed in daaromheen draaien. ‘Dan word je een sterretje’. Ja, leuk, maar een ster is een plek. Een meisje vroeg: ‘Hoe kun je nou een sterretje zijn terwijl je op de begraafplaats ligt?’ Een meisje dat was verteld dat dode mensen op een wolkje komen te wonen. Maar ja, van een wolk kun je toch afvallen en dan ben je weer dood. Zulke beelden maken kinderen er dan van. Je kunt beter duidelijk vertellen hoe het zit.”
‘Opa is in de oven gegaan’
Hoe de angsten van ouders en andere volwassenen daarin een rol spelen, merkte De Hosson vorig jaar van dichtbij. „Ik werd gebeld door de moeder van een vriendinnetje van mijn zoon, ze zitten in groep 5. Die moeder was in paniek: in de zomer was haar vader plotseling overleden en nu had juf haar laten weten dat haar dochter op school in het kringgesprek ‘bizarre’ uitspraken had gedaan. ‘Opa ligt in de oven’, ‘opa voelde zo koud als een klontje’, en, als klap op de vuurpijl: ‘Ik wil nu ook dood, want ik wil met opa in de speeltuin van de hemel spelen’.”
Omdat de moeder wist dat De Hosson ervaring had met het onderwerp, vroeg ze hem om raad. „Ik zei: ‘Het is niet bizar hoe je kind reageert, maar hoe jij en de juf reageren.’ Want het klopt voor haar toch gewoon? Opa is inderdaad koud, opa is inderdaad in de oven gegaan. En je moet haar helpen corrigeren dat ze niet echt dood moet willen, ze mist gewoon haar opa. Ik heb het ook met juf besproken en gevraagd: hoe reageerden de andere kinderen? Die gingen daarna buitenspelen alsof er niets gebeurd was. Zo zie je: het is onze eigen angst en onzekerheid die we aan onze kinderen opleggen.”
Sander de Hosson: "Dit is het meest uitdagende boek dat ik heb gemaakt." Foto: Marcel Jurian de Jong
Een ander voorbeeld komt uit zijn eigen praktijk. „Een jaar of acht geleden zat hier een man van een jaar of 40, 45 aan tafel. Longkanker, uitgezaaid naar de lever. Hij was in het UMCG behandeld met allerlei experimentele therapieën, maar het ging slecht met hem. Toch wilde hij absoluut doorgaan met behandelen, want hij had jonge kinderen van 9 en 11 jaar. ‘Dat is voor mij kwaliteit van leven. Het maakt me niet uit hoe ik me voel, als ik maar zo lang mogelijk bij mijn kinderen kan zijn’. Ik heb hem nog chemotherapie gegeven terwijl het eigenlijk haast niet meer kon. Twee weken later kwam hij op een brancard binnen, zo verzwakt was hij. Toen heb ik hem gezegd: ‘Je gaat nu echt de stervensfase in. Heb je hierover met je kinderen gesproken?’”
‘Kinderen krijgen alles mee’
Hij had ze altijd alles verteld, zei de zieke man, behalve dat hij dood zou gaan. Dat durfde hij niet en hij vroeg De Hosson of die het wilde doen. „Toen die meisjes binnenkwamen, vroeg ik of ze wisten hoe het met hun vader ging. Zonder blikken of blozen zeiden ze: ‘Hij gaat dood’. Ze konden alles vertellen, alle puzzelstukjes op hun plaats leggen. Er waren wel wat ideeën bij die niet klopten, maar in grote lijnen hadden ze echt alles wel begrepen.”
„Hun ouders zaten met open mond te luisteren. De kinderen hebben wat er stil in de keuken besproken werd, of op de slaapkamer, echt wel meegekregen. Kinderen snappen heel goed wat er niet gezegd wordt, dus neem ze in vredesnaam mee in dat stervensproces. Ik gun het onze maatschappij dat we de dood veel meer normaliseren, want die komt op een bepaald moment bij ons allemaal. En ik gun het helemaal onze kinderen.”
Praat met ze over de dood zoals je over alle andere onderwerpen ook praat, is De Hossons advies aan ouders. „Stel ze vragen en leg het uit, gewoon tussen het spelen en de zwemles door.” Want hij ziet het elke keer weer: de dood is niet griezelig. „De meeste mensen sterven thuis en dat gaat meestal heel rustig. In die laatste fase word je suf, als bescherming tegen het lijden. Je lichaam weet wel wat het moet doen als het gaat sterven. Wat belangrijk is, is dat we veel breder het gesprek aangaan over hoe en waar we die laatste fase zouden willen beleven. Wij dokters kunnen veel, maar wat wil je nog wel en wat niet? Wat is nog kwaliteit van leven? Als mensen nu over de dood praten, gaat het vooral over de muziek op de begrafenis.”