Jan Venhuis (88) en Mariet de Graaf (81) zijn de oudste deelnemers aan de 4 Mijl dit jaar. Foto: Nienke Maat
28.500 hardlopers verschijnen zondag aan de start van de 4 Mijl in Haren. Jan Venhuis (88) en Mariet de Graaf (81) zijn misschien wel de meest bijzondere deelnemers. Het zijn de oudste man en vrouw die aan het hardloopevenement deelnemen.
Jan heeft een plekje gereserveerd in de serre van Woonzorglocatie De Dilgt in Haren. Hij woont daar vlakbij zijn vrouw Iety, die parkinson heeft, dementerend is en constant zorg nodig heeft. Mariet schuift aan. Ze heeft een Twentse kruidkoek met rozijnen en cranberries meegenomen, zelfgemaakt. In een schaaltje zit roomboter, met een mespunt heeft ze er een hartje op getekend.
Mariet is 81 jaar. Ze heeft een zangerig Limburgs accent, maar woont al decennia in het Noorden. Jan, 88 jaar, is een echte Groninger. Ze kennen elkaar niet. Zondag zijn ze de oudste deelnemers aan de 4 Mijl. In de serre in De Dilgt spreken ze elkaar een paar dagen voor de start.
Jan: „Mariet, ik wil jou vragen, waar loop jij?
Mariet: „In het Noorderplantsoen. Daar doe ik ook alle heuvels. Vanaf mijn huis op de Rode Weeshuisstraat naar het plantsoen is een derde van de 4 Mijl, de terugweg is ook een derde. En in het plantsoen loop ik dan een laminaat. Nee, hoe heet dat? Laminaat is vloerbedekking. Zo’n achtje, een lemniscaat! Dat is ook een derde. Het laatste stukje naar huis versnel ik altijd, want op de Vismarkt moet je ook even sprinten, hè.”
J: „Ik loop hier altijd een rondje. Tot de rotonde is precies één kilometer. Daar doe ik negen minuten over. Dat is normaal voor onze leeftijd.”
M: „Dan ben je zondag mooi voor het uur binnen.”
J: „Dat ligt eraan, als ik bij de start niet opgehouden word. Maar de tijd, daar gaat het mij niet meer om.”
M: „Nou, mij wel een beetje. Als ik dan jongere mensen tijdens de 4 Mijl een stukje zie wandelen, vind ik dat wel slap, hè. Gewoon door blijven rennen, kom op.”
J: „Hoe laat start jij?”
M: „Ik weet het niet precies. Tien over twee of twintig over twee ofzo. Jij?”
J: „Ik zit in wave acht, om kwart over één. Heb je altijd gelopen?”
M: „Nee, lang geleden woonde ik in Haren. Ik ben altijd wat aan de late kant en dacht: als ik de trein moet halen, moet ik wel een stukje kunnen rennen. Zo is het begonnen. Ik heb nu achttien keer meegedaan aan de 4 Mijl. Ik heb nog wat medailles mee voor de foto straks.”
J: „Ik heb in het verleden veel marathons gelopen. Londen, Rotterdam, Amsterdam, Groningen, Haren. Ik had een fotostudio op de Prinsessenweg in Groningen. Als het even kon, ging ik hardlopen. Dan maakte mijn vrouw Iety de zaak af. Ze heeft me altijd gesteund om te lopen en daar ben ik haar dankbaar voor.”
Mariet de Graaf loopt de 4 Mijl met haar drie kleinzoons. „Ze zijn mijn bodyguards.” Foto: Nienke Maat
M: „In 2021 kreeg ik corona en kwam ik op de ic terecht. Ze overwogen me om me in coma te brengen en vertelden me dat 30 procent van die mensen overlijdt. Ik ben uiteindelijk niet doodgegaan. Lopen was na corona heel moeilijk. Eerst haalde ik het einde van de Rode Weeshuisstraat niet eens, maar ik ben weer gaan trainen en op een gegeven moment lukte het om dertig minuten aaneen te rennen. Toen dacht ik: als ik daar elke dag een minuutje bij kan doen, geef ik me weer op voor de 4 Mijl.”
J: „Loop je zondag ook alleen?”
M: „Nee, met mijn kleinzoons, Tsjuck, Dick en Ian. Voor het eerst zijn ze er allemaal bij. Ik heb gezegd dat ze hun eigen tempo moeten lopen, maar dat willen ze niet. We zijn jouw bodyguards, zeggen ze. Loop jij ook met iemand, Jan?”
J: „Nee, ik loop alleen. Iedereen met wie ik liep is dood. Dat is nu eenmaal zo. Soms staan hier twee lijkauto’s tegelijk voor de deur. Soms schaam ik mij weleens dat ik loop. Iedereen heeft hier wat. Ze kunnen dit niet meer of dat niet meer. En dan sta ik in de fitness en hoor ik: ik wou dat ik dat nog kon. Het is mij gewoon gegeven. Ik weet wel, ik rook niet, ik drink niet, maar heb ook gewoon geluk gehad. En je moet willen. Een vriend van me, ook overleden, zei ooit: Jan, er is altijd een reden om iets niet te doen.”
M: „Soms zie ik iemand in het plantsoen in een invalidewagen. Dan krijg ik weleens een misplaatst schaamtegevoel. God, die kan niet eens meer lopen, denk ik dan. En dan ren ik daar voorbij.”
J: „Ja, dat is wat ik bedoel! Hoeveel mensen hier met een geamputeerd been zitten... Dan schaam ik me dat ik loop. Lange tijd liep ik daarom ’s avonds, in het donker, zodat ze me niet zagen. Maar dat doe ik nu niet meer. Ik loop in de ochtend. En ik moet er gewoon trots op zijn.”
M: „Tijdens het lopen krijg je ook vooral veel leuke reacties. Goed bezig mevrouw, roepen ze dan.”
J: „Of: wat heeft u een mooie snor!”
M: „Maar dat is ook zo! Krul je hem zelf op?”
J: „Nee, dat is naturel.”
M: „Is dit al het interview? Wordt het allemaal opgenomen? En wanneer komt het in de krant dan?”
Jan Venhuis (88): „Soms schaam ik me dat ik hardloop.” Foto: Nienke Maat
Toen Iety, de vrouw van Jan ziek werd en ze naar De Dilgt verhuisden, stopte Jan met hardlopen. In de fitnessruimte van het woon-zorgcomplex raakte hij in contact met Anneloes Houwen, fysiotherapeut bij ZINN. Zij moedigde Jan aan om weer te gaan hardlopen.
J: „Je moet blijven bewegen, Jan, zei ze. Dankzij haar ben ik weer begonnen. Eerst kleine stukjes en steeds verder. Vorig jaar heb ik voor het eerst in tijden weer de 4 Mijl gelopen. Over twee jaar is de 40ste editie. Dan ben ik 90 en hoop ik nog mee te doen. Je hebt het leven niet in de hand, maar het is een mooi doel.”
M: „Komt je vrouw ook langs de weg staan zondag?”
J: „Nee, ik denk het niet.”
M: „Hoe ziek is ze dan?”
J: „Ze kan dat niet meer. Ze weet wel dat ik de 4 Mijl loop, maar dat is dan ook onmiddellijk weer weg. Haar kortetermijngeheugen is verdwenen. Er wordt niks opgeslagen.”
M: „Maar ze is wel trots.”
J: „Dat is ze zeker... En hoe gaat het met jou? Heb je ook ergens last van tijdens het lopen?”
M: „Ik ben een paar keer gevallen, soms voel ik iets in mijn rechterknie aan het begin van mijn rondje, maar dat gaat dan altijd weer weg. Vorig jaar liep ik 50 minuten en 14 seconden. Als dat weer lukt, ben ik heel trots. Met 52 minuten ben ik ook tevreden, maar het moet niet langzamer. Dan is Jan sneller dan ik en dat kan ik niet hebben.”
J: „Haha, als de bezemwagen je maar niet oppikt.”
M: „Je moet gewoon niet te snel starten. Ooit liep een vriend van me uit Brabant een paar keer mee, hij heet ook Jan. Die ging te hard van stapel en bij Helpman haalde ik hem weer in. De laatste keer dat we samen liepen bleef hij de hele tijd bij me en ging hij er op de Vismarkt als een speer vandoor, de stiekemerd.”
J: „Daar heb ik een hekel aan.”
M: „Ik ook. Ik hoop dat het wordt opgeschreven, dan stuur ik het verhaal naar ‘m door.”
Jan Venhuis en Mariet de Graaf wandelen door de tuin van De Dilgt in Haren. Foto: Nienke Maat
J: „Wel fijn dat je weinig klachten hebt, Mariet. Jij hebt ook geen last van dik worden ofzo zeker?
M: „Wordt het nog steeds opgenomen? Goh. Nou, ik ben helemaal verslaafd aan Magnums, die met karamel. Als die bij de Albert Heijn in de aanbieding zijn, twee dozen voor de prijs van één, dan koop ik vier dozen. Dan heb ik vier keer zes, dat zijn 24 Magnums. Ik heb een keer van drie uur ’s middags, tot ik naar bed ging om twee uur ’s nachts, negentien Magnums opgegeten.”
J: „Nee, zeg! Nou, hier heb je een mooie kop voor het verhaal.”
M: „Zullen we de foto gaan maken?”
J: „Ja, ik haal mijn schoenen even op.”
M: „Dan pak ik mijn medailles.”
J: „Nou, wacht maar. Het duurt wel even. Over vier minuten ben ik terug.”
M: „Wat dacht je van mij, dat duurt ook wel even.”
Jan haast zich naar zijn appartement om zijn loopschoenen te halen. Mariet bergt het schaaltje roomboter op en diept de medailles uit haar tas. „Wat leuk als het leven leuk is, hè”, zegt ze met een glimlach.