Ik huil niet gauw, zeker niet bij een film. Maar zet een sporter na een geweldige prestatie op een podium en ik ga. In die enkele ogenblikken vóórdat hij of zij zijn welverdiende medaille krijgt omgehangen gebeurt het.
Kijk in die luttele seconden naar zijn of haar ogen en een sportleven trekt aan je voorbij: de twijfel na weer een langdurige blessure, al die momenten waarop het net níet lukte en die duizend keren kapotgaan na weer een zware training. Ik zie het, ik voel het.
Gek genoeg heb ik het nooit bij een teamsport. Ik zag FC Groningen in De Kuip de beker winnen, Oranje in 1988 natuurlijk het EK. Het was prachtig, maar deed me emotioneel niets. Kennelijk moet ik de geleden pijn ook een beetje voelen en individuele sporters lijden meer pijn, dat weet ik zeker.
Zo ook Arianne Hartono. Al 15 jaar lang jaagt ze haar droom na, staat ze 20 tot 30 uur per week op de tennisbaan te zwoegen om ooit op een grandslamtoernooi te mogen spelen. Al die jaren knokken tegen de pijn, telkens jezelf overwinnen en vooral: doorgaan.
Vorige week was het zo ver. Na haar derde zege in de kwalificaties, die haar in het hoofdtoernooi van de Australian Open en dus bij de beste tennissters ter wereld bracht, deed ik even een paar boodschappen bij de supermarkt. Via WhatsApp meldde Arianne dat ze nu telefonisch bereikbaar was. Ik stond op dat moment in het gangpad van de koffie.
Ik belde haar. Ze klonk alsof ze verderop bij de tomatensoep stond: kraakhelder. Ze zat nog vol adrenaline, lachte en was tegelijkertijd nuchter en onnoemelijk blij dat ze deze mijlpaal had bereikt. ‘Bizar’, zei ze. ‘Zo ongelooflijk dit’. En ik brak.
Hoe hard ik ook probeerde om mijn professionele distantie te behouden, op de zuivelafdeling moest ik even flink slikken om mijn emoties de baas te blijven. Andere klanten keken me glazig aan. Zo vroeg op de ochtend en dan al zo in de war, ik hoorde het ze denken.
Ter hoogte van de paprikachips lukte het me om me te vermannen. Alsof er niks gebeurd was nam ik afscheid van Arianne, ik wenste haar alle succes van de wereld en rekende af. Ik slikte nog eenmaal en dacht: wat een sportvrouw.