Hij vertrouwt het ijs niet. Hij hoort het kraken en knarsen. Hij ziet de scheuren en de luchtbellen. Niet eens zo heel ver weg maakt de oostenwind nog golfjes op een stuk open water.
„Het kraakt altijd een beetje”, zeg ik, zijn moeder. „Al die andere mensen zijn er ook al overheen geschaatst”, zegt mijn vader, zijn opa. „Kijk maar naar die witte sporen.”
Het stelt hem niet gerust. Integendeel. Hoe meer gewicht er over het ijs is gegaan, zo redeneert hij, hoe zwakker het wordt. En iemand moet de eerste zijn die erdoorheen zakt.
Dat zullen niet de snelle grote mannen in hun strakke geel-blauwe pakken zijn, verwacht hij. Niet dat knuffelige stelletje dat hand in hand glimlachend rondjes zwiert. Ook niet de man die schaatst als een bergbeklimmer, met een dik touw om zijn schouder gewikkeld en een ijsprikker in de hand.
Hij zal het zelf zijn. Natuurlijk. Hij rilt nu al bij de gedachte. Als er iemand te water gaat, is hij het.
„Nee joh”, zeg ik. „Jij bent toch veel lichter dan al die grote mensen.”
Vriendelijke wezens onder water
Al twijfelt hij nog zo aan het bevroren water, hij vertrouwt, hoe kan hij ook anders, op mij. Samen schaatsen we een rondje over de plas die hij in warmere tijden kent als ‘happertjesland’, vernoemd naar de vriendelijke wezens die hier volgens familieoverlevering onder water zouden leven.
Ooit, voor hem al heel lang geleden, geloofde hij dat echt. Wat hij nu nog weet van al dat vol verwachting turen tussen de waterplanten, is hoe ondiep het hier is.
Dat zou geruststellend kunnen zijn, toch werkt het niet zo. Alles is anders als het vriest. Daarom houdt hij ook zo van de winter. Hoe elke straat een speeltuin is als het sneeuwt, hoe je kunt lopen op plekken waar je anders alleen maar naar kunt kijken. Happertjesland is een magische grijze vlakte geworden. Wat er onder dat ijs gebeurt; hij durft er niet op te vertrouwen.
Alles lijkt licht
Zijn vrees verdwijnt pas als ik hem in volle vaart voorttrek. Ik heb een sjaal in de handen op mijn rug, hij hangt aan het uiteinde. Snelheid maakt krakend ijs tot bijzaak. Hard schaatsen voelt als vliegen en alles lijkt licht – zelfs je doemdenkende zelf.
Ik weet nog hoe het was toen ik vroeger zo achter mijn vader hing. De wind om mijn hoofd, het geluid van zijn lange slagen, de bordeauxrode schaatstrui die hij toen altijd droeg en mijn bewondering voor zijn stijl en snelheid. Zo schaatsen was iets dat ik, zeker weten, nooit van mijn leven zou kunnen.
„Hoe kun jij zo lang op één been glijden?”, hoor ik achter me verzuchten. „Dat gaat mij echt niet lukken.”
Vertrouwen op jezelf blijft altijd enger dan vertrouwen op krakend ijs.