Soms is iets zo bijzonder dat het niet tot je doordringt. Die keer dat ik op Spitsbergen mocht zijn (sowieso een surrealistische ervaring) en in een rubberboot langs een groep beloega’s voer, was zo’n moment.
Ik zag ze echt, ze waren dichtbij, met hun archaïsche bolle voorhoofden en tevreden lachende dolfijnenblikken. Ik herkende ze onmiddellijk van natuurdocumentaires. Misschien was het daarom dat alles opeens voelde alsof ik er niet meer werkelijk bij was.
De walrussen die ik eerder zag waren fysiek zo aanwezig geweest – stinkend, blaffend, grommend en kilo’s vet voortslepend – dat ik er niet omheen kon dat dit bizarre tafereel zich daadwerkelijk recht voor mijn neus afspeelde. Maar die beloega’s waren geluidloos, gleden met minimale bewegingen als schimmen door het water.
Ik voelde, rook en hoorde ze nauwelijks. Mijn Nederlandse brein, gewend aan katten, cavia’s en een incidentele marter, weigerde simpelweg te aanvaarden dat ik hierbij lijfelijk aanwezig was en dat het mijn eigen ogen waren die deze witte walvissen registreerden, zonder tussenkomst van een camera.
Nu een verdwaalde beloega is opgedoken voor de Nederlandse kust probeer ik zijn soortgenoten bij Spitsbergen van jaren geleden weer voor de geest te halen. Terugzoekend in mijn telefoon blijk ik niet eens een filmpje van ze te hebben gemaakt. Wel van die gletsjerwand, van ijsschotsen, besneeuwde bergen, ijsberen en een spuitende walvis in de verre verte.
Het zijn beelden van een poollandschap zoals de laatste tijd vaak in het journaal voorbijkomt. De magische arctische wereld is niet meer voorbehouden aan verantwoorde natuurdocumentaires en bevoorrechte wetenschappers en journalisten die op expeditie mogen. Het is niet langer tijdloos, het is nieuws.
Die bevroren wereld met sprookjesachtige wezens als beloega’s ligt in het vizier van hebzucht en macht. Van een grote kleuter die vindt dat hij zijn vrienden mag intimideren nu hij de Nobelprijs voor de Vrede niet heeft gekregen. Het is allemaal zo bizar dat het niet echt tot me wil doordringen.
Alsof we in Europa met zijn allen op zo’n gammele rubberboot zitten. Een beetje misselijk van de deining maar desalniettemin vertrouwend op de opwaartse kracht van Archimedes die ons drijvende houdt, terwijl onder water de natuurkundige wetten waarop we al zolang kunnen rekenen niet meer gelden. We zien de voortekenen wel, maar onze in vrede gevormde breinen kunnen het niet bevatten.
Ik was er wel echt, tien jaar geleden, aan de kust van Spitsbergen. De beloega’s waren er ook, en het leek wel alsof ze glimlachten om die hulpeloze wezens die op een opblaasbootje in de ijszee dreven. Je hoefde er maar iets scherps in te prikken en ze zonken met zijn allen naar de bodem.