Alanis is in januari vanuit een laboratorium naar Friesland verhuisd. Foto: DvhN
In Nederland worden nog altijd ongeveer 400.000 dierproeven per jaar uitgevoerd. Kan dat ook anders? DVHN dook voor wereldproefdierendag in de wereld van de plofmuizen, mensschuwe beagles en kweekorganen.
Enthousiast blaffend springt Alanis tegen Ed Pols op als hij het hok met de beagles van dierenpension Adventure inloopt. „De andere honden zijn nog erg voorzichtig”, vertelt Pols over de vier honden die verlegen achter Alanis blijven staan. „Ze zijn opgegroeid in een laboratorium, dus ze beginnen nu pas te wennen aan onbekende mensen.”
Handzaam en niet te groot
In dit pension net buiten Kootstertille plaatst Stichting Hulp en Herplaatsing Huisdieren (SHHH) honden die zijn opgegroeid als proefdier. De tien maanden oude Alanis is absoluut de dapperste van de vijf. „Het ligt heel erg aan het karakter van het hondje hoe snel ze went. Bij Alanis ging het echt heel snel.”
De 81-jarige Ed Pols is één van de oprichters van SHHH. In een periode van 27 jaar heeft de stichting al meer dan 2600 ex-proefdieren herplaatst. Momenteel heeft de stichting 44 honden verdeeld over verschillende gastgezinnen en pensions. „Het zijn vooral beagles. Die zijn geschikt voor dierproeven omdat ze handzaam en niet te groot zijn en qua metabolisme vergelijkbaar met mensen zijn.”
SHHH heeft banden met vijf laboratoria verspreid over Nederland, zij voeren dierproeven uit met honden zoals Alanis. „Als de proeven klaar zijn, komen de honden naar ons. En heel soms ook een kat of konijn. We weten niet waar Alanis vandaan komt en wat voor proeven er met haar zijn uitgevoerd. De laboratoria geven ons zo min mogelijk informatie, dat is zo afgesproken. Het enige wat we weten is dat de dieren gezond zijn.”
Ed Pols met de enthousiaste Alanis en haar verlegen zusje. Foto: DVHN
Muizen, ratten, vissen
Ondanks het verbod op dierproeven voor cosmetica, dat in 1997 van kracht werd, worden er in Nederland nog altijd veel dierproeven uitgevoerd. Die zijn voor wetenschappelijke doeleinden: in 2023 waren het er ruim 400.000. De meest gebruikte dieren zijn muizen, ratten en vissen. Die worden ingezet bij onderzoek naar bijvoorbeeld ziektes, medicijnen of voor de dieren zelf.
Debby Weijers, directeur van stichting Dierproefvrij, wijst erop dat de dieren tijdens het uitvoeren van een proef pijn voelen. „Een dierproef wordt geregistreerd als de pijn erger is dan het inbrengen van een naald. Dus al deze 400.000 dieren alleen al in Nederland hebben er wel iets van gevoeld. Want als je onderzoek wil doen naar wondgenezing, moet er natuurlijk wel eerst een wond worden gemaakt.”
De stichting heeft daarom als doel om alle dierproeven volledig te vervangen door methoden zonder dieren. Het gebruik van dieren voor wetenschappelijk onderzoek is minder geworden, onder andere door het gebruik van deze alternatieven, maar blijft de laatste jaren redelijk gelijk. „Er kan nog veel meer dan er gebeurt”, vertelt Weijers. „We zitten vast in een systeem van gewoonten, we zijn het gewend om dieren te gebruiken.”
Plofmuizen overbodig
Ook de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) voeren samen dierproeven uit, ruim tienduizend in 2024. Niet met honden, maar vooral met knaagdieren. Bijvoorbeeld voor onderzoek naar hartfalen, diabetes, kanker, nier- en leveraandoeningen, alzheimer en parkinson.
Bij de RUG en het UMCG is duidelijk een dalende trend te zien, door onder andere het gebruik van de dierproefvrije methoden. Denk aan proeven met computermodellen of mini-organen die gekweekt worden uit een klompje cellen. „Maar het is een supergrote uitdaging om alles te vervangen”, zegt Catriene Thuring, hoofd van de Centrale Dienst Proefdieren in het UMCG. „Zolang we dat niet kunnen, zullen we altijd dierproeven nodig hebben.”
Stichting Dierproefvrij heeft samengewerkt met de RUG en het UMCG om wat door de stichting plofmuizen worden genoemd, overbodig te maken in onderzoek naar leververvetting. „Die muizen zijn zo genetisch gemodificeerd dat ze altijd honger hebben en uiteindelijk obesitas krijgen”, legt Weijers uit. „We hebben nu met de RUG een model ontwikkeld waarbij stukjes menselijk leverweefsel op een chip worden gelegd die het menselijk lichaam nabootst.”
Vleesindustrie
Wat lastiger is, is om dierproeven te vervangen bij onderzoek naar dieren. Dat gaat dan om huisdieren, dieren in het wild of in de vee-industrie. In Emmen doet het Poultry Innovation and Research Centre onderzoek naar vleeskuikens. „We doen vooral voerproeven. Dan vergelijken we verschillende soorten voer om te zien waar de kuikens het beste van groeien”, legt een woordvoerder uit.
Weijers van Dierproefvrij ziet wel kansen om ook daar het aantal dierproeven te verminderen. „We kunnen de cellen van kippen op net zo’n chip leggen als we bij de RUG hebben gedaan. Dan moet je nog wel die cellen van een kip afnemen, maar heb je niet meer het hele dier nodig. Toch kun je daar ook wat van vinden. Want moeten we al die dieren wel gebruiken voor de vleesindustrie?”
Binnen een jaar
De laatste jaren zijn er ook stappen gezet op het gebied van dierenwelzijn binnen de laboratoria. Zo heeft SHHH sinds tien jaar afspraken met de laboratoria waar de beagles gebruikt worden om meer aandacht te hebben voor het dierenwelzijn. „Eerst waren de hondjes heel angstig, dan zijn ze voor ons ook moeilijker te herplaatsen. Verzorgers mogen nu ook met de honden spelen en ze laten snuffelen, in plaats van ze alleen te voeren. We merken dat dat heel goed helpt”, zegt Pols.
Zelf maakte Pols de tijd van zogeheten kattenmeppers nog mee. „Zij joegen buiten op zwerfkatten en huiskatten die ze konden verkopen aan laboratoria. Dat gebeurt nu niet meer, hoor. Nu worden alle proefdieren speciaal gefokt en zijn alle dieren traceerbaar.”
De meeste honden die bij SHHH binnenkomen, worden binnen een jaar herplaatst. Alanis kwam in januari naar Kootstertille en wacht nog op een nieuw baasje. „Maar voor elke hond vinden we een nieuw plekje. Ze hoeven niet ingeslapen te worden als het te lang duurt.” Alanis heeft er zelf niet veel aan toe te voegen. „Woef.”