Tuin en terras zijn opnieuw wit. Ik zie het vanaf de bank in de kamer bij het wakker worden, na weer een gebroken nacht. De winterpracht verzacht ietwat het katterig gevoel.
Ik lag zonder aanwijsbare redenen om half 3 weer met de ogen open. Dus ging ik van bed, waarbij mijn vrouw wakker werd.
„Wat doe je?”
„Ga van bed, kan niet slapen.”
„Waarom niet?”
„Ja, dat weet ik ook niet. Geen paniek. Ik ga lezen in de kamer.”
„Neem je kussen mee.”
„Hoeft niet.”
Wel pakte ik leesbril, slofte naar de kamer en nestelde me op de bank, kat naast me. Het was half 5 toen de ogen dichtvielen en 8 uur toen mijn vrouw met een ‘goedemorgen’ de kamer in kwam.
Ik ontbeet als anders, smeerde broodjes, poetste tanden, kleedde mij aan, kuste haar gedag en vertrok tien minuten nadat zij vertrok.
De auto was spierwit en het voorspelde beetje natte sneeuw bleek toch weer een behoorlijk pak geworden.
Het sneeuwde nog steeds toen ik instapte. Bij het wegrijden zag ik dat mijn vrouw zoons al had geappt: ‘Eem opletten.’ Goed van haar, bedacht ik, ook al was dat niet in correct Gronings. Het kon inderdaad glad bij de weg zijn en als ouders wist je nooit of tieners en twintigers dat goed konden inschatten.
Bovendien was het vrijdag de 13e.
Ze waarschuwde echter niet voor de gladheid. Bij ‘Eem opletten’ stond een foto van een artikel: ‘Cyberaanval bij telecombedrijf Odido raakt miljoenen klanten.’