Ik moest lachen. Ook zonder het ‘man’ en ‘vrouw’ of die poppetjes wist ik door wat er op de deuren stond welk toilet voor mannen was | column Herman Sandman
Het was koud en niet koud. De zon scheen en buiten zijn voelde aangenaam, maar de wind bleek ook die dag niet ver weg. We waren nog op Ameland.
Vrouw, jongste zoon en ik ploften neer in een hoek van een terras en Aeolus, bewaarder van winden, zat zich om lunchtijd blijkbaar de bokken te vervelen en dacht: hé, die ouwe sjap daar zit net niet in de luwte, laten we die eens even fokken.
Dus rilde ik af en toe. Jas aandoen was lastig, die lag in de auto. Maar, als rechtgeaarde noorderling, wie kinnen gain kòl en pien, hield ik mijn mond. Nou ja, niet helemaal.
Mijn vrouw, met de ogen dicht: „Lekker zo hier, in het zonnetje.”
„Ja”, zei ik, „soms wel een beetje fris.”
Het zou goed kunnen dat de kilte mij ook nog wat in de botten zat, na de ochtendwandeling. Ik was blootsvoets door de duinen en over het strand en door het water gelopen en daar was het te koud voor.
We kregen wat te drinken en de wind, die op gezette tijden vanaf de zijmuur rond mijn verkleumd gestel wervelde, maakte dat ik het wijntje direct op de blaas voelde.
Dus verexcuseerde ik me bij vrouw en kind, liep het restaurant binnen en vroeg naar de toiletten. Iemand wees ‘daar’ en bij het betreden van die ruimte moest ik, zoals vermoedelijk iedereen die er voor de eerste keer kwam, lachen.
Er stond niet ‘heren’ en ‘dames’, ‘men’ en ‘women’, of ‘gents’ en ‘ladies’ en er hingen geen plaatjes van poppetjes, maar ook zonder dat wist ik onmiddellijk waar ik moest zijn.
Op de ene deur stond ‘bla’ en op de andere ‘blablablablablablablablablablablabla’.