Het valt jongste zoon in de stad op dat er altijd iemand ergens schreeuwt. Dichtbij, ver weg, overdag, midden in de nacht. Zomaar | column Herman Sandman
Het valt jongste zoon op, sinds hij in de stad woont, dat er altijd iemand ergens schreeuwt. Dichtbij, ver weg, overdag, midden in de nacht. Geen woord of halve zin, een brul.
Wij luisterden er ook naar, in de jaren dat mijn vrouw en ik in de stad woonden, net als zoon in een buurt met studenten. Er was nooit geen geluid. En geschreeuw.
Zij en ik groeiden op in gehorige huizen in woningbouwwijken, waar je de buurman naar de wc hoorde gaan en buurvrouw roepen dat de buurjongen zijn kamer moest opruimen. Ik hoorde soms letterlijk ‘net of hier n bom valen is’, dus wij wisten niet anders.
In en rond ons dorp, op broeierige zomeravonden, als de vogels in de bomen hun plek voor de nacht hebben opgezocht, of ’s winters, als de zon geluidloos achter het kale bos zakt, kan het echt stil zijn. Dat is wat zoons gewend zijn.
Een schreeuw, ergens, zomaar en onze oren zijn meteen gespitst. Kan immers een doodskreet zijn. Zoals in het woonzorgcentrum van mijn ouders en sinds kort alleen van mijn vader.
Bij het broodje eten hoor ik soms geschreeuw. Rauw, ongeremd woedend, waarbij alle duivels uit de hel bijeen worden geroepen. Huiveringwekkend. Schiet mij maar dood als ik zo ben.
Studenten schreeuwen anders, of mensen die tegen de wind in praten, the lost and wretched van onze samenleving. Waarom ze dat doen? Frustratie, nadat je net gedumpt bent, een indianenhuil om de bro’s te laten weten waar je bent, boos op de wereld, of gewoon aandacht?
Maar er is niet altijd een duidelijke reden, zeg ik tegen jongste zoon: „de meeste mensen zijn gewoon bang voor stilte.”