Je zult maar katten hebben in Teheran. Twee lieve poezen, met twee lieve namen, die je zelf hebt bedacht toen ze nog kitten waren.
Ze werden groot, ze stonden op je te wachten als je thuiskwam van je werk, ze zeurden om brokjes. Een normaal leven, in een normaal appartement, ergens in een woontoren aan de rand van de stad. Je kunt de hele stad overzien, vanavond hebben mensen vuurtjes ontstoken. Je trekt je jas aan, doet de voordeur open, je weet dat dit niet mag. Zegt de katten gedag.
Je loopt door de stad, je durft de auto niet te pakken. Je durft de metro niet in, bang om vast komen te zitten in het donker onder de grond. Dus je loopt, door de avond; een flikkerende straatlantaarn, een straathond die je nablaft. Het is koud, 1 graad.
Nu zijn dit opeens je strijdmakkers
Maar je gaat. Hoe verder je komt, hoe drukker het op straat wordt. Dat doet je goed, je wist niet hoeveel mensen er zouden komen, het is je niet gelukt je vrienden te bereiken met je telefoon. Maar je herkent af en toe iemand: een klasgenoot van de middelbare school, je rijinstructeur, de man van die dierenwinkel waar je soms, bij uitzondering, het chique kattenvoer ging kopen. Nu zijn dit opeens je strijdmakkers. Iemand begint een leus te schreeuwen en jij schreeuwt mee.
En opeens is er een zee. Van mensen, van dromers, van landgenoten. Jouw leus loopt over in een andere leus van een groepje dat uit een andere straat komt gedwarreld, en weer een andere leus klinkt iets verderop. Ze vermengen zich, versterken elkaar, ze ketsen tegen de norse gebouwen die aan het grote plein staan. En die gebouwen kijken naar de menigte, trekken hun strengst mogelijke gezichten. Kijken met zwarte ramen op jou neer.
Voorstellingsvermogen zet je niet uit
Ik denk dat dit denken nuttig is
Dan klinkt er een schot, dan nog een keer. En iedereen begint te rennen. Je rent zo hard als je kunt, je weet niet of je bent geraakt. Een straat in die je niet kent, een straat waarvan je niet weet waar hij je naartoe zal brengen. In het donker, net buiten het licht, sta je stil. De leuzen zijn geschreeuw nu, individueel geschreeuw nu, dan een eenzame zucht. Je voelt aan je rug.
En alles wat ik hier net zei is fictie. Het zijn geen telefoonbeelden uit Iran, de katten hebben nooit bestaan, ik heb het allemaal verzonnen. Toch denk ik dat dit denken nuttig is. Want de machthebbers van Iran kunnen misschien het internet afsluiten, het luchtruim sluiten, met man en macht proberen elke druppeltje informatie over hun gruweldaden te verhullen, maar voorstellingsvermogen zet je niet uit. Niet het voorstellingsvermogen van de mensen in Iran, maar ook niet het onze. Het is voorstellen en inleven, dan meeleven en vanuit dat medeleven komt hopelijk de vraag aan onze eigen leiders om eindelijk iets te doen.
Je komt thuis, je ziet de ogen van je katten in het donker. Je knipt het licht aan, er zit een gat in je jas waarvan je niet weet hoe dat daar komt. Je pakt één van de katten en kijkt over de daken van de stad naar het oosten. O, waren er maar genoeg katten op de wereld om heel Teheran te troosten. Het is donker nog. Maar de zon komt op.