Gisteren liep ik in Emmen, van de boekwinkel naar de parkeergarage. Op het Noorderplein kwam er iemand mijn kant op fietsen. Een grote zestiger met een dikke winterjas aan. Hij fietste niet hard. Hij sjokte een beetje, maar dan op twee wielen. Ik zag dat hij iets uit zijn rechter jaszak haalde. Een papiertje. Hij gooide het op de grond. Toen hij voorbijgereden was en ik bij het papiertje aankwam, keek ik toch even wat hij precies weggegooid had. Het bleek een blauw/wit wikkeltje te zijn dat altijd om een mini-Bounty zit. Ik keerde me om. Er was een tijd dat ik dan geroepen zou hebben: „Meneer, u verliest iets!” Dat deed ik niet. Ik had het papiertje op kunnen pakken en zelf in een vuilnisemmer kunnen doen. Maar ik heb van mijn moeder geleerd dat dingen van de straat oppakken erg vies is. „Er kan wel een hond overheen gepiest hebben.” Deze meneer had waarschijnlijk heus wel van zijn moeder geleerd dat hij zo’n snoeppapiertje in zijn jaszak moet bewaren tot hij het kon weggooien in een vuilnisbak of zo. En toch kwam hij op het punt om het op een redelijk druk plein op de grond te gooien. Waarom zou hij dat gedaan hebben?
Misschien was hij wel boos. Boos op de wereld. Boos op de maatschappij. Dat hij zich niet gezien voelt door Den Haag. En dat hij dacht: laat ze het maar bekijken. Ik hou nergens meer rekening mee. Ik gooi gewoon mijn Bounty-wikkeltje op de grond! Of nee, misschien had hij de Bounty wel gekregen van een vrouw waar hij eigenlijk een hekel aan had. Die trut die zich altijd mooi voordoet, maar ondertussen… En dat hij het liefst dat verrekte Bounty’tje in haar gezicht had willen gooien. Maar uit goed fatsoen had hij het maar in zijn jaszak gedaan. Terwijl hij aan het fietsen was, moest hij er dan toch steeds aan denken hoe lekker die Bounty zou smaken. Maar hij mag zulk spul eigenlijk helemaal niet van de dokter. En toch had hij bij het stoplicht het ding uit het papiertje gehaald en in een keer zijn mond gestopt. Toen hij het Noorderplein op fietste, baalde hij inmiddels ernstig dat hij het toch opgegeten had. Die veel te lekkere Bounty van dat stomme wijf. En dat hij daarom het papiertje kwaad op het plein had gegooid. Ja, zoiets moest het haast wel geweest zijn.