Als correspondent in West-Afrika zijn verhalen over migratie vaste prik. Jaarlijks maak ik meerdere verhalen over de ‘Atlantische Route’, die loopt van West-Afrika naar de Canarische Eilanden, die bij Spanje horen. En iedere keer vraag ik me weer af welke invalshoek ik nu weer kan bedenken die de aandacht trekt van de lezer, luisteraar of kijker.
Het antwoord kreeg ik laatst zomaar cadeau, in de vorm van een uitnodiging van de Spaanse Kamer van Koophandel. Enkele weken geleden reed ik naar het centrum van Dakar voor een feestelijke diploma-uitreiking die zij hadden georganiseerd. Tientallen jonge Senegalezen hadden zich voor de gelegenheid uitgedost en verzameld in het stadstheater, hun smartphones voor filmpjes en selfies al in de aanslag. Zelf hield ik mijn opnameapparaat in de hand, want ik was hier voor een radioreportage.
In het afgelopen half jaar had de Spaanse KvK, in opdracht van de Canarische Eilanden, een speciaal werkgelegenheidsproject gerund. Bijna honderd mensen hadden zij bij verschillende bedrijven ondergebracht, van textielfabrieken tot loodgietersbedrijven. Wie goed werk had verricht, mocht er blijven werken.
In een land waar veel jongvolwassenen werkloos zijn (zo’n 40 procent, is de inschatting) worden dit soort initiatieven altijd met veel gejuich ontvangen. Vanaf de rode stoelen in het theater reageerden de jonge deelnemers enthousiast toen ik hen vroeg naar hun ervaringen. ,,Echt een mooie kans,’’ vertelde Ngoné, die meeliep op een bouwplaats. ,,Dit geeft ons hoop voor de toekomst.’’
Maar jonge Senegalezen een toekomst geven was voor de Canarische Eilanden niet het enige dat speelde. Nee, vertelde Mohamed, die nu alle vaardigheden heeft om aan de slag te kunnen als elektricien: ,,Dit moet ons ervan weerhouden om naar Europa te gaan.’’
Net als de meeste andere deelnemers werd Mohamed geselecteerd vanwege zijn profiel: gefrustreerd, want jong en werkloos – ondanks een voltooide opleiding en gezonde werklust. Mohamed overweegt soms om zijn broer achterna te reizen, die nu al een aantal jaar in Madrid verblijft. En hij is lang niet de enige.
De Canarische Eilanden staan al jaren bekend als toegangspoort naar het beloofde Europa. Vanuit Senegal is het zo’n 1500 kilometer varen: een gevaarlijke tocht die voor duizenden mensen per jaar dodelijk afloopt, maar redelijk eenvoudig lijkt vergeleken met routes waarbij de Sahara, het noorden van Afrika en de Middellandse Zee moeten worden doorkruist. Vorig jaar bereikten meer dan 45.000 mensen de eilanden: een record dat dit jaar zomaar weer eens verbroken kan worden.
Vanuit de Canarische Eilanden wordt op allerlei manieren geprobeerd om migranten te ontmoedigen. Die aanpak lijkt vooral gericht op strengere controles: de Guardia Civil, de Spaanse kustwacht, heeft hier een eigen basis.
Overloos overleg met Europese Commissie
Samen met de Senegalese autoriteiten werken ze ook aan het ontmantelen van smokkelnetwerken. Daarnaast overleggen ze oeverloos met de Europese Commissie en de Spaanse regering op het vasteland over het verspreiden van aangekomen migranten.
Migratiebeleid is bijna altijd gericht op het tegenhouden van mensen, of het nou vanuit Brussel wordt aangestuurd of bedacht wordt in Canarische achterkamertjes. Er gaan miljoenen in om, maar in de praktijk helpt het eigenlijk nooit.
Mensen blijven dromen, mensen blijven het proberen. Dat de eilanden nu een werkgelegenheidsproject op poten zetten, is wat dat betreft een welkome verandering. Een zachtere aanpak, menselijker.
Hoewel? Terwijl ik met mijn opnameapparaat tussen de rijen rode stoeltjes liep, bekroop me een gevoel van déjà vu. Want hoe makkelijk het ook was om me te laten meeslepen in de euforische stemming die in het theater hing: ik had het allemaal al eens gehoord. En dat meer werkverschaffing niet per se leidt tot minder migratie, wordt inmiddels door allerlei wetenschappers onderschreven.
Terwijl ik deze column schrijf, moet ik de gesprekken die ik daar heb opgenomen nog monteren tot een pakkende reportage van 3 minuten. Hoewel zo’n montage normaliter weinig tijd kost, betrap ik mezelf op uitstelgedrag. Dat is vooral omdat ik twijfel: als ik te veel meega in de jubelstemming uit het theater, kom ik naïef over. Als ik tegengas geef, en overal mitsen en maren bij plaats, klink ik waarschijnlijk erg cynisch.
En dan speelt tegen de achtergrond ook nog eens het Nederlandse migratiedebat mee, waar ophef de boventoon voert en feiten er zelfs in politieke context vaak niet meer toe doen. Wat dat betreft is verslag doen van migratie een koorddans waar ik maar zelden een goed gevoel aan overhoud: er zijn altijd mensen die er hun eigen draai aan geven – het is maar net wat hen het beste uitkomt.
Hoe zorg ik ervoor dat ik die retoriek van angst niet verder voed met mijn verhalen uit West-Afrika? Ik dacht altijd dat mijn reportages het publieke debat juist zouden verrijken, dat ik kanttekeningen kon schetsen en grijstinten kon aanbrengen. De laatste tijd ben ik daar niet meer zo zeker van.
Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant publiceren iedere week een column van Onze Vrouw/ Man, een van de acht mediacorrespondenten uit een ander continent.
Saskia Houttuin (La Tronche, 1988) is geboren in Frankrijk en opgegroeid in Leeuwarden. Na haar studie journalistiek werkte ze bij de Afrika-redactie van de Wereldomroep en de VPRO. Ze werkt nu als freelance correspondent in Senegal voor de NOS, de Volkskrant en het radioprogramma Bureau Buitenland. Ze woont met vriend en twee kinderen in hoofdstad Dakar.